Posts tonen met het label Mennen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mennen. Alle posts tonen

zondag 8 juli 2018

Een bijdrage aan de verwarring

Pastoor C. Mennen

Verwarring, ook in de Kerk, ontstaat als men, paus en bisschoppen, niet duidelijk zijn. Die verwarring is onnodig, als men de waarheid van het geloof zoals dat ons is overgeleverd, duidelijk verkondigt en uitlegt. Vandaag wordt vaak de kunst beoefend van mooi maar tamelijk vaag te spreken. De teksten spreken van begrip en compassie voor de mens in zijn realiteit. Waarheden en oordelen zijn in die context altijd niet pastoraal en van gisteren. Deze manier van spreken wordt door veel mensen als aangenaam ervaren maar nergens in het evangelie heb ik gemerkt dat dit de taal van Jezus is. De column van onze bisschop die hier in gedeelten volgt, zullen daarom de meeste mensen wel mooi en inspirerend vinden maar ik heb er zo mijn kanttekeningen bijgeplaatst.

Christen ben je altijd met andere christenen. Juist als rooms-katholieken weten wij ons geroepen in te voegen in het geloof van de gemeenschap. Wij staan op de schouders van vele generaties gelovigen die ons zijn voorgegaan. Zo ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Dat klopt. Als katholieken moeten wij ons invoegen in de gemeenschap. Dat we op de schouders van vele generaties gelovigen staan, is wel waar maar tegelijk theologisch gezien wat mager. We gebruiken voor de verbondenheid met en in de gemeenschap meestal de terminologie van de heilige Robertus Bellarminus (1542-1621). Deze zegt dat de volle gemeenschap met de katholieke Kerk bestaat in drie banden (vincula): het vinculum symbolicum (de band van hetzelfde geloof), het vinculum liturgicum (de band van dezelfde sacramenten) en het vinculum hierarchicum (de band van hetzelfde hiërarchische bestuur). Als we die drie banden onderhouden ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Tegelijk weten wij ook dat er altijd een gradatie in de betrokkenheid van gelovigen is geweest. Niet weinigen stemmen maar gedeeltelijk in met de leer van de Kerk. Vanzelfsprekend ziet iedere bisschop dat liever anders, maar het is wel de realiteit door de eeuwen heen. Kennis van de geschiedenis kan ons wijs maken. Anders gezegd: vanaf het begin van de Kerk valt er voortdurend een spanning tussen leer en leven te ontdekken.

Ook dit klopt. Maar we moeten wel onderscheid maken tussen de volgende drie dingen die in de column nogal door elkaar lopen:
1. Er is altijd een gradatie van betrokkenheid geweest van de gelovigen in die zin dat bijv. sommigen dagelijks deelnamen aan de liturgie en zich volop bij het leven van de Kerk betrokken voelden; en dat anderen precies deden wat voorgeschreven was; weer anderen waren op meerdere of mindere afstand betrokken. De pastorale reactie van de Kerk hierop was altijd: instemming met hen die zeer betrokken waren; aansporing aan de minimalisten om iets meer inspanning te doen; en aan degenen die onder de maat bleven, de aansporing zich te bekeren, te biechten en weer aan het volle leven van de Kerk deel te nemen.
2. In de column staat dat door de eeuwen heen niet weinigen maar gedeeltelijk instemmen met de leer van de Kerk. Dat is bij tijd en wijle zo geweest. Maar de Kerk heeft dit nooit als een gegeven aanvaard waarbij ze zich neer zou moeten leggen. Tegen afwijkingen van de leer in woord of geschrift heeft de Kerk zich altijd verzet. Het publiek uiten van een leer die ingaat tegen de leer van de Kerk en dit hardnekkig blijven doen, ook na een waarschuwing, is altijd niet alleen als een zware zonde maar ook als een kerkelijk misdrijf beschouwd en is zo is het nog: het misdrijf van ketterij waarop een automatische excommunicatie stond en staat. Dit afwijken van de kerkelijke leer is niet alleen iets dat een bisschop liever anders ziet, Hij wordt als herder van de kudde verwacht ertegen op te treden en te zorgen dat deze opvattingen de gemeenschap niet verzieken.
3. Dan constateert de column een spanning de eeuwen door tussen leer en leven. Dat zijn mensen die de leer wel aanvaarden, ook de leer op moreel terrein maar die er in zwakheid, in de praktijk van het leven feitelijk tegenin gaan. Hier was de pastorale praktijk van de Kerk altijd: de mensen oproepen zich te bekeren en weer volgens de evangelische leer te leven.

Gevoeligheid
Onze goede paus Franciscus lijkt een grote gevoeligheid voor deze realiteit te hebben. Falende en zondige mensen moet de Kerk niet afwijzen en afstoten, maar op een herderlijke wijze tegemoet treden. Voor de paus is de kerk als een ziekenhuis, waar mensen die gekwetst en gebutst langs de levensweg liggen, weer op adem kunnen komen.

Falende en zondige mensen mag de Kerk uiteraard niet afstoten. Die moet zij liefdevol en herderlijk tegemoet treden. Zij mag echter nooit de indruk wekken dat zij de zonde goedkeurt. In haar charitatieve organisaties moet zij iedereen hulp bieden en in iedere zondige en gewonde mens het gelaat van Christus herkennen. Maar dat wil niet zeggen dat de eerste oproep van Jezus in zijn openbare leven, moet verstommen of verzwakken. En die uitspraak is: “Bekeert u want het Rijk der hemelen is nabij”. (Mt. 4, 17; “Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”, Mc. 1, 15). Bij een herderlijke benadering van de “gekwetsten en gebutsten” moet zoals bij Jezus de oproep tot bekering aanwezig zijn zodat mensen echt “op adem kunnen komen” (de ware Geest kunnen inademen) in de Kerk.
In de manier waarop de bisschop (maar ook de paus) het formuleert, lijkt de Kerk vooral een sociaal veldhospitaal maar geen opvanghuis waar de ziel van zonden genezen wordt en weer in het evangelische spoor wordt gebracht. Althans de formuleringen in die trant mis ik voortdurend.

Nergens blijkt dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Maar wel wil hij rekening houden met de weerbarstigheid van ons bestaan. In de loop van de kerkgeschiedenis blijkt er een organische groei in het kerkelijk spreken. Pausen hebben bijvoorbeeld ooit opgeroepen tot kruistochten; de huidige Kerk denkt heel anders over oorlogen en het gebruik van geweld.

Er zijn er velen in de Kerk – en vaak niet de minste theologen – die constateren dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Of is het geen ingaan tegen de leer van de Kerk als je uitdrukkelijk het bestaan van de hel en de onsterfelijkheid van de ziel ontkent? Hij heeft dit weliswaar niet in een stuk van het leergezag geschreven maar hij heeft het wel herhaalde malen gezegd (tegen atheïstische vriend Scalfari) volgens publicaties waarvan het Vaticaan zich niet heeft gedistantieerd. Veel vaker nog heeft hij pastorale oplossingen gesuggereerd die onmogelijk zijn als je orthodoxe standpunten inneemt. Hij probeert pastoraal los te maken van de leer door de leer te handhaven en tegelijk praktijken toe te staan die die leer op losse schroeven zetten. Dit is zo bij de beruchte voetnoot in Amoris Laetitia maar ook nu weer bij een feitelijke goedkeuring van het intercommuniestandpunt van de Duitse bisschoppen. In beide gevallen zijn de voorwaarden zoals begeleiding door een priester en weg van onderscheiding feitelijk pastorale rookgordijnen die spoedig zullen verwaaien.
De vraag of de leer van de Kerk rond oorlog en geweld zoveel veranderd is, is maar de vraag. Volgens mij is de Kerk altijd tegen een aanvalsoorlog geweest. Alleen een verdedigingsoorlog was en is nog steeds gerechtvaardigd. Ook de kruistochten werden als een verdedigingsoorlog gezien.
Er is inderdaad een groei in het kerkelijke spreken maar dat kan alleen maar het ontvouwen van een reeds aanwezige waarheid betekenen. Het kan in ieder geval niet tegen een altijd geloofde waarheid ingaan. Het probleem is dat men nu door middel van wollig (ofwel pastoraal) spreken feitelijk tegen een altijd aanvaarde waarheid ingaat.

Gevoelige thema’s
Het lijkt mij vruchtbaar dat theologen en het leergezag – in het licht van de Heilige Schrift, de traditie en nieuwe wetenschappelijke inzichten – blijven nadenken over gevoelige thema’s als echtscheiding, homoseksualiteit, eucharistische gastvrijheid en intercommunie (het over en weer deelnemen aan elkaars eucharistie/avondmaal).

Een spannende vraag is ook hoeveel verscheidenheid er binnen de eenheid van de kerk kan zijn. Onze toekomst is open. Wie weet wat de Geest van God ons zal laten ontdekken.

De door de bisschop genoemde thema’s kunnen zoals alle thema’s van de leer verder worden uitgediept. Maar het is voor de katholieke Kerk ondenkbaar dat echtscheiding zou worden toegestaan, al is het om zeer pastorale redenen en in welomschreven gevallen. De uitspraken van Jezus hieromtrent zijn te duidelijk. Om echtscheiding mogelijk te maken moet al je toevlucht nemen tot de theologisch hoogstaande opmerking van de opperjezuïet, Arturo Sosa Abascal, (ook al een Zuid-Amerikaan), dat er niemand bij Jezus heeft gestaan met een typemachine, daarmee suggererend dat de evangelist deze uitspraak van Jezus niet goed begrepen of uit zijn duim gezogen heeft. Over homoseksualiteit zijn de Bijbelse uitspraken ondubbelzinnig en ook is de leer over de van God gegeven morele natuurwet stevig in de traditie verankerd. Toenemende wetenschappelijke inzichten zijn hier ook niet aan te voeren. Tot in de jaren zestig was het algemene inzicht van de wetenschap dat homoseksualiteit een abnormaliteit was. Ik heb wel gezien dat sindsdien de opvatting van wetenschappers over dit onderwerp veranderd is maar ik heb nooit wetenschappelijke onderbouwingen daarvan gezien. Ook omtrent intercommunie is het standpunt van de Kerk duidelijk. En als de protestanten hun visie over eucharistie en ambt en over het sacramentele karakter van de Kerk niet bijstellen, zal intercommunie een leugen zijn.
De spannende vraag die de bisschop zich stelt, is eigenlijk de vraag naar een richtingenkerk zoals die in het Anglicanisme en het protestantisme bestaat. Is dat ook in de katholieke Kerk mogelijk? Het antwoordt daarop is helder: nee, nooit! Op het ogenblik is zich weliswaar onder invloed van bepaalde theologen en de diffuse leiding van paus Franciscus een richtingenkerk aan het ontwikkelen, maar dat zal gelet op de kerkgeschiedenis alleen maar leiden tot scheidingen en scheuringen. Immers de katholieke Kerk is gebouwd op de waarheid en wordt geleid door de Geest van de waarheid. En die waarheid is ondubbelzinnig en helder. In die zin is de toekomst niet open. In de Kerk is alleen toekomst voor mensen die deze waarheid volledig aanvaarden. Aanvallen op de waarheid zijn in binnen de Kerk niet te dulden. Zo is het altijd geweest en zo zal het blijven.

Blijvende dialoog
Sommige gelovigen, ook hoge geestelijken, menen dat de paus ruimte laat voor verwarring. Maar is het niet beter te spreken over een pauselijke bereidheid tot blijvende dialoog? Een dergelijke houding komt niet voort uit modernisme of vrijzinnigheid, maar vanuit het hart van het evangelie. God is in Christus naast ons gaan staan. Op onze beurt zijn wij geroepen dicht bij onze naaste te blijven. Als Christus ons heeft aanvaard, zijn ook wij geroepen elkaar te aanvaarden. Het gaat om de bereidheid tot een blijvende dialoog, die niet inhoudt dat wij onze diepste overtuigingen verloochenen, maar wel dat wij openstaan voor de werking van de Heilige Geest in de ander.

Uiteindelijk leven wij allemaal van pure genade. Dat gelovig besef kan ons nederig, mild en bescheiden maken.

De paus laat niet alleen ruimte voor verwarring. Hij schept zelf verwarring. Ik heb nog niet geconstateerd dat hij bereid is tot dialoog. Mensen die vragen hebben rond zijn uitspraken, wenst hij niet eens te ontvangen. Integendeel hij scheldt ze bij de eerste de beste gelegenheid de huid vol. Hij is gewoon systematisch, dikwijls op een indirecte manier, bezig zijn agenda en de agenda van Kasper c.s. die hem gekozen hebben, ten uitvoer te brengen. Deze agenda is volledig in strijd, ondanks zijn lofprijzingen aan hun adres, met waar de laatste pausen in lijn met de traditie voor stonden. Het heeft wel degelijk te maken met modernisme in zoverre hij de praktijk laat prevaleren boven de leer; de waarheid van het evangelie ondergeschikt maakt aan de praktijk van de moderne wereld.
Ik wil niet uitsluiten dat de Heilige Geest werkt in de ander, evenmin als ik wil uitsluiten dat het niet altijd de Heilige Geest is die in de paus werkt. Voor de onderscheiding van de geesten ben ik, sinds de Heilige Stoel het laat afweten, aangewezen op de Traditie van de Kerk zoals die tot mij komt via de Conciliedocumenten en de continue lijn van pauselijke documenten. In dat licht zie ik vaak de Heilige Geest in de ander maar ik zie ook vaak een onheilige geest die werkt in de naaste.

Niet alleen
De Kerk staat voor geweldige uitdagingen. Gelukkig staan wij er niet alleen voor. Na de hemelvaart van de Heer worden de leerlingen met een missionaire opdracht uitgezonden. In kracht van de Pinkstergeest zijn wij geroepen in de wereld van vandaag gemeenschap van Christus te zijn.

In 2016 verscheen een fijnzinnig interviewboekje met paus Franciscus onder de titel De naam van God is barmhartigheid. De God die in Christus bij ons is gekomen, heeft een groot hart voor zondaars en bedelaars. Mensen die moreel falen of sociaal zijn gemarginaliseerd, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint. In kracht van de Pinkstergeest kan het komen tot levensvernieuwing en een nieuwe start. Als christenen zijn wij geroepen om Gods barmhartigheid te weerspiegelen in ons alledaagse leven.

“Halve waarheden zijn hele leugens”, zegt het spreekwoord en dat is ook het geval als je steeds weer en praktisch uitsluitend roept dat God barmhartigheid is. Natuurlijk is God barmhartigheid maar hij is ook rechtvaardigheid. Als je dat laatste uit het oog verliest, wordt God gezien als een soort lamme goedzak die overal begrip voor heeft. Ook volgens de bijbel wordt Gods barmhartigheid die inderdaad oneindig is, opgewekt door berouwvolle bekering van de kant van de mens. Zonder die bekering kan er geen sprake zijn van Gods barmhartigheid. De vader van de verloren stond met zijn barmhartigheid volkomen machteloos, zolang die zoon in den vreemde bleef. Pas als hij spijt heeften terugkeert, zich voor zijn vader vernedert, gaat de barmhartigheid werken.
Pas in het licht van zijn oneindige rechtvaardigheid is Gods barmhartigheid te begrijpen. Ik hoor daar de paus en de mensen die hem welgevallig willen zijn, weinig over praten.
“Mensen die moreel falen of sociaal gemarginaliseerd zijn, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint.” Natuurlijk is dat waar. God bemint iedereen onvoorwaardelijk. Toch is “sociaal gemarginaliseerd” zijn van een totaal andere orde dan “moreel falen” ook in verband met de liefde van God. Bij sociaal gemarginaliseerden staat de liefde van God niets in de weg. Ze hebben zelfs een streepje voor. Maar zij die moreel falen hebben wel een obstakel opgeworpen tegen Gods liefde. Zij zullen moeite moeten doen om dat obstakel uit de weg te ruimen voordat die liefde van God in hun leven vruchtbaar kan worden.
Ik zie hier hetzelfde streven als breed in de postconciliaire Kerk tot uiting kwam in het vrij algemeen vertalen van “pro multis” in de consecratiewoorden met “voor allen”. Toch staat er in alle overgeleverde instellingsverhalen “pro multis”. De vertalers kunnen het niet verdragen dat Jezus zelf gezegd zou hebben dat zijn bloed in feite maar vergoten wordt voor velen en niet voor alle mensen. Dat dus ondanks de verlossingswil van Christus en Gods barmhartigheid niet allen gered worden

28 mei 2018
C. Mennen pr

zondag 20 mei 2018

Verschillend gebruik van het begrip “fundamentalisme” bij Benedictus XVI en Franciscus


 In de vijf jaar van zijn pontificaat gebruikte paus Franciscus het begrip “fundamentalisme” bijna drie keer zo veel als zijn voorganger Benedictus XVI in acht jaar. Niet alleen het verschil in frequentie valt op maar ook het verschil in het gebruik van het begrip.

“Fundamentalisme” bij Benedictus XVI

Als voorbeeld van Benedictus XVI kunnen we zijn laatste toespraak beschouwen die hij nog als kardinaal hield. Wat hij toen zei moeten we vanwege het belang ervan wat uitgebreider citeren. De beslissende uitspraak is onderstreept. Als deken van het College van Kardinalen preekte Joseph Ratzinger op 18 april 2005 in de Missa Pro eligendo Romano Pontifice (mis voor de pauskeuze):

"Hoeveel geloofsopvattingen hebben we de laatste decennia leren kennen, hoeveel ideologische stromingen, hoeveel manieren van denken… Het bootje van het denken van veel christenen is niet zelden door deze golven aan het schommelen gebracht, van het ene uiterste in het andere geworpen: van marxisme naar liberalisme tot aan libertinisme toe; van collectivisme naar radicaal individualisme; van atheïsme tot een vaag religieus mysticisme; van agnosticisme tot syncretisme enzovoorts. Elke dag ontstaan er nieuwe sektes en zo gebeurt wat de heilige Paulus gezegd heeft over het bedrog onder de mensen en over misleidend bedrog (vgl. Ef. 4, 14).
Als iemand een duidelijk geloof heeft in overeenstemming met het Credo van de Kerk, dan wordt dat vaak als fundamentalisme bestempeld. Daar tegenover lijkt het relativisme, waarin men door ieder zuchtje wind van de ene naar de andere opvatting wordt bewogen, de enige moderne levenshouding te zijn. Er ontstaat een dictatuur van het relativisme die niets als definitief erkent en als maatstaf alleen het eigen ik en zijn lusten laat gelden.”

Als paus gebruikte Benedictus XVI het begrip “fundamentalisme" in twee richtingen.
*             Enerzijds waarschuwde hij voor religieus en politiek fundamentalisme als oorzaak van geweld en terrorisme, vooral echter ook als oorzaak voor aanvallen op het christendom en voor beknotting en vervolging van de Kerk.
*             In een ander aspect zoals in zijn preek van april 2005, bekritiseert hij een verkeerd gebruik van het begrip dat dan gebruikt wordt om het kerkelijk geloof omlaag te halen en te belasteren als “fundamentalisme”.

“Fundamentalisme” bij Franciscus

Het fenomeen fundamentalisme ziet Franciscus in tegenstelling tot Benedictus XVI in feite alleen maar in de vorm van “religieus fundamentalisme”. Alleen op 24 september 2015 sprak hij in zijn toespraak voor het parlement van de VS van “iedere vorm van fundamentalisme – zowel op religieus als ook op ander gebied”. De nadruk bleef toch ook bij deze uitzondering overeind. Evenals Benedictus XVI gebruikt Franciscus het woord “fundamentalisme” in een dubbele samenhang. Deze verschilt echter duidelijk van die van zijn voorganger.
*             Soms gebruikt hij “religieus fundamentalisme” in samenhang met geweld en terrorisme als een algemene aanklacht tegen alle godsdiensten. Daar noemt hij de eigen godsdienst bij naam maar andere religies blijven ongenoemd. Daaruit kan de algemene indruk ontstaan dat “religieus fundamentalisme” vooral een probleem van het christendom, en wel van de katholieke Kerk zou zijn.
*             Die indruk wordt door de tweede samenhang nog versterkt omdat hij “fundamentalisme” – in dit geval ontdaan van geweld en terrorisme – als aanklacht tegen katholieken gebruikt en als binnenkerkelijk strijdbegrip inzet om delen van de Kerk aan te klagen, aan te vallen en te kleineren.
Het door hem benadrukte religieuze fundamentalisme is volgens hem een uitdrukking van “irrationele afkeer” van andersdenkenden. Hiertegenover moeten we de “solidariteit van alle gelovigen” stellen. Door de “interreligieuze en interculturele dialoog” worden fundamentalisme en terrorisme “uitgebannen”. Zo zei hij in zijn toespraak op 28 november 2014 in de Turkse hoofdstad Ankara.

Het fundamentalisme “de ziekte van alle godsdiensten”

Op de terugvlucht uit de Centraal-Afrikaanse Republiek op 30 november 2015 maakte Franciscus op een vraag van de journaliste Philippine de Saint-Pierre er een aanklacht van tegen katholieken:

“Het fundamentalisme is een ziekte die in alle godsdiensten aanwezig is. Wij katholieken hebben er enkele van – niet enkele: veel! – die geloven de absolute waarheid te bezitten en vooroplopen terwijl zij anderen met laster en kwaadsprekerij zwart maken, en zij richten schade aan, richten schade aan. En dat zeg ik omdat het over mijn Kerk gaat, ook over ons allemaal! En we moeten vechten. [….] Het fundamentalisme dat altijd in een tragedie of in misdaad eindigt, is iets slechts, maar een beetje ervan is in alle godsdiensten aanwezig.”

“Een beetje” fundamentalisme is “in alle godsdiensten” aanwezig maar bij de katholieken zijn er “veel” fundamentalisten, die “lasteren”, “kwaadspreken”, “zwart maken”, die “steeds tragedies en misdaden veroorzaken” en die “bestreden” moeten worden. Volgens Franciscus is het “religieus fundamentalisme” daarom op de eerste plaats een probleem van de katholieke Kerk. Sinds de Verlichting beweert dat een hele serie mensen die op een kerkvijandige manier de geschiedenis en het heden interpreteren. Een paus heeft dat in ieder geval nog nooit gezegd.
In verschillende toespraken en boodschappen creëerde Franciscus een samenhang tussen het “fundamentalisme”, “het misbruiken van de godsdienst” en het “internationaal terrorisme”. Het “internationaal terrorisme” gaat echter noch van christenen en al helemaal niet van katholieken uit maar van de islam. Tot nu toe noemde Franciscus geen man en paard (bijv. de toespraak tot de Italiaanse president op 10 juni 2017; toespraak bij het Symposium van de Bisschoppenconferenties van Afrika en Madagaskar op 7 februari 2015; toespraak bij de accreditering van 6 nieuwe ambassadeurs bij de Heilige Stoel, waarvan 4 uit in meerderheid islamitische landen, op 28 mei 2017).

“Ik houd er niet van te spreken van islamitisch geweld”

Op de terugvlucht van Manila op 19 januari 2015 sprak de journalist Jean-Louis de la Vaissière van France Presse de paus met name aan op het “islamitisch fundamentalisme”. Franciscus besteedde er eenvoudigweg geen aandacht aan. Op 31 juli 2016 op de terugvlucht van Krakau werd Franciscus opnieuw door een journalist, dit keer Antoine-Marie Izoard, aangesproken op het islamitisch fundamentalisme. Enkele dagen tevoren was de priester Jacques Hamel in Frankrijk tijdens de Mis door twee aanhangers van de terreurorganisatie Islamitische Staat (IS) aan het altaar ritueel vermoord. Izoard vroeg de paus: “ Waarom spreekt u, als u over deze gewelddaden spreekt, steeds van terroristen maar nooit van de islam? U gebruikt nooit het woord ‘islam’.” Dit keer werd Franciscus duidelijker en gaf tegelijk een van de meest omstreden antwoorden van zijn pontificaat. Op dit antwoord volgde hoofdschudden en geschokte meningen. De paus werd onevenredigheid, ontkenning van de werkelijkheid en een onaanvaardbare aanklacht tegen de katholieken verweten:

“Ik houd er niet van te spreken van islamitisch geweld want iedere dag als ik de kranten doorblader, zie ik geweld hier in Italië: de een brengt zijn verloofde om het leven, een ander zijn schoonmoeder.. En dat zijn gewelddadige, gedoopte katholieken… Als ik van islamitisch geweld spreek, moet ik ook van katholiek geweld spreken. Niet alle moslims zijn gewelddadig; niet alle katholieken zijn gewelddadig. Het is als bij een fruitsalade, daar zit van alles in, er zijn gewelddadige mensen in deze religies. Eén ding is waar: ik geloof, dat er in bijna alle religies steeds kleine fundamentalistische groeperingen bestaan. Fundamentalistisch. Bij ons zijn er. En ook als het fundamentalisme overgaat tot doden – men  kan echter ook doden met de tong, en dat zegt de apostel Jacobus en niet ik, en ook met het mes – geloof ik dat het niet juist is de islam gelijk te stellen met geweld.”

De reden voor de pauselijke weigering om de islam met name te noemen vinden we  Evangelii gaudium van 24 november 2013. Daar gaat he niet over een spontane uitspraak maar om het eerste Apostolische Schrijven van Franciscus. In Evangelii gaudium kent hij aan de islam absolute vredelievendheid toe:

“Tegenover de incidenten van een gewelddadig fundamentalisme moet de liefde voor de authentieke aanhangers van de islam ons ertoe brengen akelige generaliseringen te vermijden, want de echte islam en een juiste interpretatie van de koran sluiten ieder geweld uit.”

“Bedreiging voor de gelovigen van alle godsdiensten”

Aan de christenen van het Nabije Oosten, die in diverse staten door discriminatie bedreigd worden en aan vervolging onderhevig zijn, schreef Franciscus op 21 december 2014:

“De dialoog in waarheid en liefde die berust op een houding van openheid, is ook het beste middel tegen de bekoring tot religieus fundamentalisme, die een bedreiging is voor gelovigen van alle godsdiensten. Tegelijk is de dialoog een dienst aan de gerechtigheid en een noodzakelijke voorwaarde voor de langverwachte vrede.”

Maar alleen in zijn toespraak bij de interreligieuze ontmoeting met de voorzitter van de raad van Kaukasische moslims en vertegenwoordigers van de andere godsdienstige gemeenschappen in Azerbeidzjan in Bakoe op 2 oktober 2016 zei Franciscus, wat als boodschap van zijn terughoudendheid tegenover het geweld dat van de islam uitgaat, gezien kan worden die hij niet in de ik-vorm maar in het algemeen uitsprak: “Nogmaals klinkt vanaf deze zo betekenisvolle plaats de hartverscheurende roep: nooit meer geweld in de naam van God!”

“Conservatisme en fundamentalisme”

Als typisch voorbeeld van het gebruik van “fundamentalisme” als binnenkerkelijk strijdbegrip geldt de toespraak van Franciscus in de kathedraal van Florence op 10 november 2015 tot vertegenwoordigers van de Kerk van Italië:

“Tegenover de mistoestanden of de problemen in de Kerk is het nutteloos oplossingen te zoeken in conservatisme en fundamentalisme, in het herstel van traditionele praktijken en vormen die zelfs op het culturele vlak niet van betekenis zijn.”

“Conservatisme”, “traditionele praktijken en vormen” worden praktisch gelijk gesteld met “fundamentalisme”. Die uitspraak lijkt precies datgene waarvoor paus Benedictus op 18 april 2005 gewaarschuwd heeft

van Katholisches 30 april 2018
vertaling: C. Mennen pr

dinsdag 13 maart 2018

Vaticanum II revisited

Mensen van mijn leeftijd die Vaticanum II citeren alsof het bestaan van de Kerk ervan afhangt, vergeten nogal eens, dat het alweer bijna zestig jaar geleden is, dat het Concilie gehouden is en dat veel jonge mensen, theologiestudenten in het algemeen en seminaristen in het bijzonder, het op dezelfde wijze zien als het Concilie van Florence of het Concilie van Trente: als een onderdeel van de kerkgeschiedenis. Zij kijken er met een zekere afstand naar en vinden – dat mag niet van hun docenten maar het is wel zo – het Concilie van Trente op veel punten helderder en duidelijker dan Vaticanum II. Trente definieert tenminste het geloof in heldere formuleringen terwijl Vaticanum II mooie maar tegelijk soms onheldere beschrijvingen geeft. Let wel, niemand, ook de jongeren niet, twijfelen aan de orthodoxie van Vaticanum II maar de orthodoxie van Trente laat minder ruimte voor een heterodoxe uitleg.

Mensen van mijn leeftijd doen alsof de liturgiehervormingen na Vaticanum II een van vruchtbaarste vernieuwingen in de Kerk zijn, aan het nut waarvan men absoluut niet mag twijfelen. Veel jonge mensen en ook opvallend veel bekeerlingen zien de vele misbruiken die de vernieuwing van de liturgie teweeg heeft gebracht. Ze ervaren de onrust van de vele woordjes en de vele keuzemogelijkheden waardoor je als gelovige overgeleverd bent aan de willekeur van de priester. Zij zoeken contact met de oude liturgie die Benedictus XVI weer heeft toegestaan en vinden in die verheven sacrale omgeving hun echte geestelijk thuis. Het mag niet zijn want de liturgievernieuwing van Vaticanum II is volgens het kerkelijke establishment een onomkeerbare verworvenheid, maar het is wel zo: de jeugd die nog kerkelijk is en voor het geloof kiest, voelt zich tegen de verdrukking in het meest aangetrokken tot oude liturgie of een nieuwe liturgie die op de meest klassieke wijze gevierd wordt. Zelfs in charismatische kringen groeit de interesse voor de oude liturgie. De kloosters die voor de oude liturgie kiezen groeien en bloeien tot ongenoegen van hen die het niet begrijpen.

Wellicht is de relativering van Vaticanum II en het afwijzen van de liturgievernieuwingen die er uit voortkomen, het gevolg van de totale verwarring waarin de Kerk sinds Vaticanum II verkeert. Tot voor kort bestond die verwarring alleen buiten Europa en met name in West-Europa en Amerika maar sinds het huidige pontificaat is ook Rome zelf in de greep van de totale verwarring. Een paus die bij gelegenheid de meest vreemde dingen zegt en schrijft die volkomen in tegenspraak zijn met wat al zijn voorgangers hebben gezegd en geschreven, is ook voor jonge mensen niet bepaald een ankerpunt. De paus beschouwt zich duidelijk als een vrucht van het Concilie. Het gaat hier dan om de “geest van het Concilie” waar men in jaren zeventig en tachtig in Nederland mee schermde en die het einde van de Nederlandse Kerk is geworden. Om een voorbeeld van de verwarring te geven. De staatssecretaris, kardinaal Parolin, heeft het over een “paradigmaverschuiving” die door de paus in gang is gezet. Kardinaal Müller, de afgezette prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, zegt dat er in zake geloof geen paradigmaverschuiving mogelijk is. En dat is ook zo. Wat men in de Kerk altijd ketterij genoemd heeft, heet nu deftig “paradigmaverschuiving” maar het blijft even lelijk.

Mijn eerlijke vraag is: wat moeten we aan met een Concilie waarvan “de geest” leidt tot de vernietiging van de Kerk die je overal om je heen ziet gebeuren? Zou het onderhand niet eens tijd worden hier en daar wat vraagtekens te zetten bij het Concilie? Ik noem een paar dingen:

-             het optimisme van het Concilie ten aanzien van de wereld (met name ook in “Gaudium et Spes). Het zou de moeite waard zijn dit eens te leggen langs het begrip van de “wereld” bijv. in het Johannesevangelie waarin de wereld toch vooral gezien wordt als het rijk van Satan? Is dat na 1960 niet meer het geval? Nou kijk dan maar eens naar het wereldwijd en door staten en de VN ondersteund verval van zeden. Kijk maar een naar de christenvervolging in islamitische en liberaal-seculiere staten.

-             het optimisme ten aanzien van de islam die door het Concilie geprezen wordt als een godsdienst die dezelfde God heeft al wij. Dit laatste is gewoon niet waar. Het beeld van God dat de islam heeft, is totaal verschillend van het christelijke godsbeeld. Die visie van het Concilie wordt nog steeds door de huidige paus verkondigd.

-             de “geest van het Concilie” heeft ertoe geleid dat de missieactiviteit van de Kerk praktisch volkomen is stil gevallen. Als je benadrukt dat iedereen in zijn eigen geloof zalig kan worden, verliest de missie blijkbaar zijn innerlijke noodzaak.

-             op dezelfde wijze heeft de oecumene zich ontwikkeld. Door het positieve en het goede in iedere denominatie te benadrukken, wordt het minder duidelijk dat je katholiek zou moeten worden. De paus zelf lijkt katholiek worden te ontmoedigen zoals bij de evangelische bisschop Tony Palmer.

-             Het optimisme van het Concilie heeft geleid tot een bijna alleen benadrukken van Gods barmhartigheid ten koste van zijn gerechtigheid. Dit heeft bij velen geleid tot een onverantwoord heilsoptimisme, het minimaliseren van de zonden en het praktisch afschaffen van het begrip doodzonde.  Dat wordt duidelijk geïllustreerd in de hardnekkig verkeerde vertaling van “pro multis” (voor velen) in “voor allen” bij de consecratie.

Nu gaat natuurlijk iedereen roepen (en ik weet dat dat in de ogen van velen de grootste ketterij is) dat ik Vaticanum II afwijs. Dat is inderdaad de gemakkelijkste manier om je niet met mijn bezwaren te hoeven bezig houden. Maar ik wijs Vaticanum II niet af. Het zou echter wel wenselijk zijn dat Vaticanum II opnieuw bekeken gaat worden in het licht van de ontwikkelingen erna. Zijn die ontwikkelingen echt wat de vaders van Vaticanum II bedoelden? Kan Vaticanum II misschien aangescherpt worden in het licht van voorafgaande Concilies, zodat de tekst niet meer dubbelzinnig is. Immers dubbelzinnigheid is de meest duivelse (zij het onrechtstreekse) vrucht van het Concilie tot in het huidige pontificaat toe.

Paulus VI heeft in de jaren zeventig al verzucht dat door de ramen van de Kerk, die het Concilie heeft opgezet, de rook van Satan de Kerk is binnengekomen. Wordt het niet tijd zodanige maatregelen te nemen dat die rook buiten blijft waar hij hoort, in de wereld. Dat vereist een grote schoonmaak waarbij het Concilie niet buiten schot kan blijven.

C. Mennen pr
3 maart 2018

zondag 7 januari 2018

De zelfvernietiging van de Kerk

Als iemand weet hoe je de Kerk van binnen uit kunt vernietigen, dan zijn wij, Nederlanders, het wel. Wij hebben in overgrote meerderheid in de jaren zestig van de vorige eeuw het modernisme omhelsd waarvan het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout (1966-1970) het treurig startpunt was. Niet meer wat de Kerk altijd had geleerd en op het Tweede Vaticaans Concilie had bevestigd, was uitgangspunt van denken en doen maar het “levensgevoel van de mensen” en “de eisen van de moderne tijd”. God verdween radicaal uit het middelpunt van het kerkelijk leven om plaats te maken voor de mens. Deze was voortaan de maat van alle dingen. De normativiteit van dogma, liturgie, bijbel en moraal maakte plaats voor het kneedbare fluïdum van wat men sindsdien “pastoraal” noemt. Door deze geesteshouding raakte iedereen er langzamerhand van overtuigd, dat men niet echt iets verkeerds deed in zijn leven, omdat we het immers allemaal goed bedoelen. De biecht verdween en de boetevieringen die ervoor in plaats kwamen mochten in de gewetensonderzoeken en gebeden steeds minder persoonlijke zonden noemen maar vooral de zonden van ver weg (zoals de “apartheid” in Zuid-Afrika) of de structurele zonden in ons midden (zoals de verdeeldheid tussen de christenen, het ontbreken van fair trade of de heelheid van de schepping die door ons gezamenlijk bedreigd werd). Tevens verdwenen de kernthema’s van het christelijk geloof: zonde, verlossing, persoonlijke bekering etc, uit de prediking en daarmee uit beeld bij de gelovigen. Onze parochies werden meer en meer aanhangsels van de grote maatschappelijke trends. Dat je daarvoor niet naar de kerk hoeft te gaan, hebben de meeste mensen ondertussen wel begrepen. Ze zijn langzaam uit de kerk weggebleven. De laatste jaren zijn de jongere priesters wel orthodoxer (behalve de enkelingen die vanwege de maatschappelijke druk of hun onbedwingbare geaardheid hun seminarieopleiding aan de wilgen hebben gehangen en nu de jaren-zestig-lof van hun gepensioneerde collega’s oogsten), maar de meesten wagen het toch niet hun nek al te ver in orthodoxe richting uit te steken om hun gelovigen niet al te zeer van zich te vervreemden of om niet in de krant van onverdraagzaam conservatisme te worden beschuldigd. Al met al moeten we constateren dat de jeugd en de mensen tot en met de zestig jaar bijna geheel uit onze kerken zijn verdwenen en dat het geloof van degenen die gebleven zijn meestal niet erg diep zit. Als er een kerk gesloten moet worden, gaat nauwelijks iemand mee naar een kerk die overblijft, ook al kunnen ze dat gemakkelijk. De eucharistie is de meesten echt niet veel waard. Moreel hebben de meesten veelal de opvattingen van de maatschappij. Het is dus niet zo dat we de betere vijf procent hebben overgehouden. Hoe zou het ook kunnen? De bisschoppen en de priesters hebben nagelaten ze het totale geloof met al zijn consequenties voor te houden omdat ze voortdurend bang waren door te “harde” preken sommigen te verliezen. Door dit gedrag verliezen we uiteindelijk allen. Zoals we, door geen enkele eis te stellen aan het katholieke onderwijs, dat hele onderwijs hebben verloren, verliezen we ook, door geen enkele eis te stellen aan de gelovigen, alle gelovigen. Het recept van de totale afval hebben we zelf geschreven. Dus niemand weet beter dan wij, Nederlanders, hoe je de Kerk van binnenuit kunt vernietigen.

Je zou denken dat de Kerk in Europa, in de wereldkerk iets van ons en van onze handelwijze zou leren. Nee dus. Momenteel hebben we een paus die mij erg doet denken aan de gemiddelde pastoor in de Kerk van Nederland van de jaren zeventig/tachtig van de vorige eeuw. Ook deze paus heeft het over "de geest van het Concilie" (een soort toverformule waaronder je alles naar believen kunt vangen), een hartelijke, open kerk maar hij is net als genoemde pastoor snoeihard voor mensen voor wie de liturgie heilig is en dogma de dragende kracht van hun leven. Dezelfde karakteristieken die ik indertijd naar het hoofd geslingerd kreeg, omdat ik gewoon katholiek wilde blijven, krijg ik nu, en met mij de trouwe katholieken over heel de wereld, door de paus en zijn entourage naar het hoofd geslingerd: we zou star zijn en wettisch, de schriftgeleerden en de farizeeën uit het evangelie. Wij zouden ons afsluiten voor de Heilige Geest, die de geest van verandering en verrassingen is en ga zo maar door. Tevens komt de barmhartigheid van God die alles liefdevol toe zou dekken (en die indertijd leidde tot het leeglopen van de biechtstoelen) mij heel bekend voor, evenals de opvatting van de paus over het geweten die erop lijkt alsof hij het persoonlijke geweten verheft boven de morele wet. En u weet: bij ons heeft een beroep op het eigen geweten een einde gemaakt aan iedere objectieve moraal. Het gebeuren rond deze paus is een déjà vu: ik heb het allemaal al gezien in de jaren zeventig en tachtig. En als dit langer doorgaat zal het op hetzelfde uitlopen als waarop het hier is uitgelopen: de totale zelfvernietiging van de Kerk op plaatsen waar men de paus volgt. De kerken zullen nog leger worden dan ze al zijn, de seminaries zullen leeglopen, de gelovigen zullen langzaam meer het geloof verliezen en denken dat ze goede mensen zijn als ze elkaar geen kwaad doen. Dan zal God wel tevreden zijn, als Hij tenminste bestaat.

Hier en daar zullen kleine groepjes katholieken overblijven die geestelijk sterk genoeg zijn om niet mee te gaan met de (pauselijke) trend en die vast blijven houden, ondanks vervolging van buitenaf en van binnenuit aan de grote Traditie van de Kerkvaders en de Concilies. Tot die beweging horen ook de kloosters en de geestelijke bewegingen die nu jonge mensen een echt katholiek thuis bieden en vaker traditioneel dan progressief zijn. De paus mag over hen schamperen maar daar (en voorlopig niet in Rome) ligt de toekomst van de Kerk die in overzienbare tijd werkelijk maar een kleine Rest zal zijn.

NB
Ik bedenk me nog dat het tekenend is dat atheïsten en linkse godloochenaars die abortus promoten, vrienden van de paus zijn, met wie hij praat en over wie hij met lof spreekt maar dat hij gelovige kardinalen met hun vragen niet eens wil ontvangen. Waarom zouden de heidenen en de eigenlijke tegenstanders van de Kerk deze paus zo prijzen. Moeten we dat zien als een goede teken? Volgens het evangelie is het dat in ieder geval niet.

C. Mennen pr
2 december 2017

donderdag 19 oktober 2017

Een sfeer van angst…. en niet ten onrechte!

Pastoor Mennen

De heilige Athanasius (+ 373) was in de ariaanse strijd de onvermoeibare voorvechter van het orthodoxe katholieke geloof in de goddelijke natuur van Christus. Dat moest hij als bisschop van Alexandrië  m
aar liefst vijfmaal met ballingschap bekopen. Het arianisme, hoewel veroordeeld op het Concilie van Nicea in 325, was het door het merendeel van de toenmalige Kerk aanvaarde geloof. Maar daarmee werd het nog niet de apostolische waarheid. Uiteindelijk heeft de orthodoxie gewonnen mede door de onbevreesde volharding van bisschop Athanasius.

We leven weer in een tijd waarin de ketterij een groot gedeelte van de Kerk in haar macht heeft. Nu is het de ketterij van het modernisme en meer specifiek van het relativisme en het pastoralisme. In die opvatting is de praktijk van alledag belangrijker dan de leer. Als we leven in een maatschappij waarin 40 % van de huwelijken strandt, dan kun je in de praktijk niet veel met de onontbindbaarheid van het huwelijk. Dan maak je van de onontbindbaarheid een ideaal dat velen niet kunnen halen en voor die velen zoek je een praktische oplossing in de Kerk. Dat laatste noemt men dan tegenwoordig “pastoraal”. Dat je daarmee feitelijk de onontbindbaarheid van het huwelijk die Jezus ons leert, tussenhaakjes zet, wil men uiteraard niet benoemen. Hetzelfde principe wordt ook toegepast op homoseksualiteit, euthanasie, abortus. De leer wordt gehandhaafd maar in de praktijk wordt deze op alle mogelijke manieren “pastoraal” ondergraven. We zien dat bij het zegenen van homoseksuele relaties. Dat moet pastoraal toch kunnen, zegt men, als je het maar geen huwelijk noemt. We hebben dat ook in Den Bosch gezien in het voornemen van de bisschop om de lgtb-gemeenschap op hun actiedag in de kathedraal te zegenen. De leer wordt gehandhaafd maar er worden “pastorale” oplossingen gezocht om de leer te omzeilen.
Een voorbeeld van relativistisch pastoralisme vinden we ook in de oecumene. Als er ergens een groot verschil bestaat in geloofsopvatting tussen katholieken en protestanten, dan betreft dit het ambt en de eucharistie. Protestanten geloven niet in het priesterschap en de volmacht die dit sacrament geeft om, met name in de eucharistie, in de persoon van Christus te handelen. Ze geloven evenmin dat de eucharistie een offer is en ook niet dat brood en wijn substantieel veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Er zijn oecumenische groeperingen die deze leer niet ontkennen maar die leer gewoon “pastoraal” negeren “in het verlangen naar eenheid” en de behoefte aan “tafelgemeenschap”. Zij praktiseren de intercommunie en laten daarmee indirect, zonder het te zeggen, de katholieke leer verdampen. Veel oecumene is daarmee relativistisch geworden en een gevaar voor het geloof.

Dit pastoralisme en relativisme is vooral na Vaticanum II de Kerk binnengedrongen waarbij men zich niet rechtstreeks op teksten van het Concilie kon beroepen maar waarbij de alles goedkeurende dooddoener steeds “de geest van het concilie” was en is. (Mgr. Bruno Forte noemt zelfs paus Franciscus de belichaming van de geest van het Concilie). De postconciliaire pausen van Paulus VI tot en met Benedictus XVI hebben zich tegen dit pastoralisme en relativisme verzet. Zij waren een steun voor de trouwe priesters en gelovigen in gebieden met zwakke of liberale bisschoppen: iedereen kon zich beroepen op Rome en op de krachtige Romeinse documenten die trouw het katholieke geloof verdedigden.

Deze tijd is nu (voorlopig) voorbij. De huidige paus Franciscus bevordert in terloopse opmerkingen, geschriften en handelingen het relativistisch pastoralisme. Hij is meer in de praktijk geïnteresseerd dan in de leer. Een icoon daarvan is zijn beleving van Witte Donderdag. In de normale kerkelijke liturgische beleving opent de bisschop op deze dag het heilig Triduüm te midden van zijn gelovigen in zijn kathedraal. En de nadruk in de viering ligt op de instelling van de eucharistie en daarmee samenhangend  de instelling van het priesterschap. In de traditie van de Kerk is de voetwassing een ritueel, dat niet is voorgeschreven en dat pas enkele jaren in de Mis is opgenomen. Eeuwenlang was het een ritueel dat plaats vond tijdens de vespers of in een aparte plechtigheid, waarbij de bisschop de voeten waste van 12 priesters in navolging van Jezus die geen armen de voeten waste maar leerlingen die Hem Meester moesten noemen. De paus begint het Triduüm niet meer in zijn eigen bisdom en  de volledige nadruk van de viering ligt op de voetwassing van armen waaronder islamieten. Zo wordt Witte Donderdag sociaal praktisch gemaakt en worden ongemerkt de andere elementen gerelativeerd. Hierbij kan ook nog opgemerkt worden – en ook dat is misschien een icoon – dat de paus nooit knielt voor de eucharistie maar hij blijkt het wel te kunnen als hij de voeten wast.

Als de kardinalen vijf dubia formuleren en als 60 priesters en academici een correctio filialis schrijven heeft dat alles te maken met het feit dat de paus minstens de schijn wekt (en meer dan dat) dat hij de pastoralistische en relativistische ketterij bevordert, de katholieke waarheid afzwakt en de eenheid in de Kerk bedreigt.

Er is in de kringen rond de paus gezegd dat er “maar zestig” zijn. Afgezien van het feit dat dit geen argument is als het over de waarheid gaat, moet men beseffen dat het tamelijk riskant is voor de orthodoxie uit te komen, ook al doe je dat nog ze op beleefd en met eerbied voor het pausschap. De ballingschap van Athanasius is nog steeds actueel. Kardinaal Burke heeft voor zijn orthodoxie moeten betalen met een verbanning naar “Malta” en nog weer later met het ontnemen van de functies die hij op “Malta” had. Kardinaal Müller, bekwame prefect van de congregatie voor de geloofsleer, wordt met een smoesje op een zijspoor gezet. Ingewijden verwachten dat kardinaal Sarah, de verdediger van de juiste katholieke liturgie, spoedig aan de kant geschoven wordt`. En dichterbij, wat te denken van aartsbisschop Léonard in België die geen kardinaal werd en aan wie ontslag werd verleend op de dag van zijn 75ste verjaardag. Hij was waarschijnlijk te katholiek.
Wil je carrière maken in de Kerk, dan kun je je toch maar het best wat gedeisd houd
en of nog liever Franciscus bejubelen. Kritiek of wat daarnaar zweemt, in theorie of praktijk, kan tot “ballingschap” leiden.
Het voorbeeld van Franciscus leidt al tot navolging. De bisschop van Granada, Mgr. Francisco Martínez Fernández, heeft de bekende katholieke filosoof Josef Seifert ontslagen, alleen omdat hij beleefd aan de paus heeft gevraagd wat hij precies bedoelt in Amoris Laetitia. Seifert wijst er dan op dat pure logica laat zien dat er een atoombom onder heel de katholieke moraal ligt, als de paus zou bedoelen wat Seifert niet hoopt dat hij bedoelt

Er zijn heel veel mensen die het met de “zestig” eens zijn maar zich om allerlei redenen gedeisd willen houden. Er heerst een sfeer van angst want de “ballingschap” ligt op de loer.
Ik ben nooit zo bang uitgevallen geweest en bovendien ben ik met emeritaat.  De bisschop van Den Bosch zal zeker niet blij zijn met mijn ondertekening van het document: een lid van zijn kapittel, een docent van zijn seminarie…… Ik wacht maar af of er een zuivering komt. Zo ja, dan zal ik mijn “ballingschap” geduldig dragen….. in Vlijmen.

Feest van de heilige Aartsengelen
29 september 2017


Een gebed dat in deze tijd meer dan ooit op zijn plaats is:

Heilige Aartsengel Michaël,
Verdedig ons in de strijd.
Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel.
Wij smeken ootmoedig dat God hem Zijn macht doe gevoelen.
En gij, vorst van de hemelse legerscharen,
drijf Satan en de andere boze geesten,
die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan,
door de goddelijke kracht in de hel terug.
Amen.


zaterdag 14 oktober 2017

Correctio filialis. Waarom?

Alle eeuwen door is de voornaamste bekommernis van de Kerk het verkondigen en beschermen van de waarheid geweest. En dan gaat het over de waarheid die God ons geopenbaard heeft via zijn woord en vooral via zijn mens geworden woord Jezus Christus maar ook via zijn schepping die ook een vindplaats is van geopenbaarde waarheid. Vanuit die geopenbaarde waarheid wordt richting gegeven aan ons handelen. Hoe belangrijk het handelen voor een christen ook is, het handelen is secundair. Op de eerste plaats komt de waarheid, de rechte leer, de orthodoxie. Pas vanuit de waarheid die men aanneemt en gelooft, kan men juist handelen.

De volle waarheid van de openbaring is de tijden door telkens weer op andere punten aangevallen. We noemen dat ketterij. Meestal is die ketterij een versimpeling van de geloofswaarheid. Bij de eerste grote wereldwijde crisis in de Kerk, rond het jaar 300, versimpelde men de waarheid rond Christus. De mysterievolle waarheid dat Christus God en mens tegelijk is, werd versimpeld door van Christus slechts een heel bijzondere mens te maken en Hem alleen bij wijze van spreken Zoon van God te noemen. Deze Ariaanse crisis werd op het Concilie van Nicea in 325 bezworen door de plechtige verklaring dat de Kerk altijd geloofd had dat Christus werkelijk God en werkelijk mens was. Dat betekende niet dat de ketterij zweeg. Onder invloed van machtige heersers bleef de ketterij nog lange tijd heersen maar uiteindelijk week ze voor de orthodoxie. Een tweede grote crisis, met name in de Westerse Kerk, was de reformatie in de 16de eeuw. Hier werd de waarheid rond de vrije wil, rond genade en goede werken, rond algemeen en bijzonder priesterschap, rond schrift en traditie, rond het offerkarakter van de Mis en de werkelijke tegenwoordigheid ernstig versimpeld. Het is het Concilie van Trente dat hierop het katholieke antwoord geeft en de echte hervorming van de Kerk gestalte geeft. Maar de ketterij blijft tot nu toe parallel bestaan in ontelbare protestantse denominaties.

In onze tijd wordt de katholieke waarheid opnieuw belaagd. We kunnen die aanval gemakshalve vatten onder de noemer “modernisme”. Het modernisme komt voor uit de Verlichting, een stroming uit de 18de eeuw, die alle nadruk legt op de menselijke rede. Men gelooft niet in het bovennatuurlijke, niet in Gods ingrijpen in de wereld, niet in wonderen etc. Deze stroming heeft vooral in de protestantse theologie in de 19de eeuw vrij spel gekregen. In de katholieke Kerk hebben de pausen tot en met Pius XII er een dam tegen weten op te werpen. Men waarschuwde tegen de afzonderlijke dwalingen en nam maatregelen tegen theologen die deze dwalingen verspreidden. Die dam tegen het modernisme werd geslecht in de jaren 60 van de vorige eeuw in en rond het Concilie dat een venster naar de moderne wereld opende; een venster waardoor volgens paus Paulus VI de rook van Satan zelf de Kerk binnendrong. Sindsdien is er in de Kerk een klimaat dat het modernisme eerder begunstigt dan bestrijdt.

Ik wil uit heel die ontwikkeling een belangrijk aspect uitkiezen. En dat wordt wel de “anthropologische Wende” genoemd die zich in de jaren zestig voltrokken heeft: niet meer God staat in het middelpunt van alles maar de mens. Dat uit zich in talloze dingen die wij ongemerkt aanvaard hebben maar die eigenlijk niet zo katholiek zijn. De meeste mensen zeggen: “de naastenliefde is het belangrijkste in het leven”, en denken dat dit ook zo is. Ze vinden vaak dat je eredienst en gebed wel achterwege kunt laten, als je maar van je naaste houdt. In feite zegt Jezus echter dat het eerste gebod de liefde tot God is en pas het tweede – zij het gelijk aan het eerste – de naastenliefde. In de liturgie stonden vroeger priester en volk tezamen op God gericht in gebed en offer. Nu staat de priester naar het volk en het volk naar de priester gekeerd. Kardinaal Ratzinger heeft ervoor gewaarschuwd dat de eucharistie zo gemakkelijk van eredienst verwordt tot een gemeenschappelijk onderonsje. In het verleden was het beste voor God, nu zijn soms de materialen in de eredienst minderwaardig omdat het zogenaamd beter is het geld aan de armen te geven. Het meest duidelijke komt het mensgerichte in de liturgie tot uiting in de talloze misbruiken die in de vernieuwde liturgie zijn ontstaan. Ook het gemakkelijk vervangen van de eucharistie die de volmaakte eredienst aan God is door een communiedienst is een teken van de mensgerichtheid.

Het meest duidelijke komt het antropocentrische tot uitdrukking in de pastoraal. Eigenlijk is het woord “pastoraal” (herderlijk) de manier waarop de gelovigen begeleid worden naar hun eeuwig heil. Pastoraal hield dus rekening met Gods geboden want zonder het nauwkeurig onderhouden van Gods geboden kun je niet zalig worden. Pastoraal wees op de hulpmiddelen van gebed en sacramenten en probeerde in gecompliceerde situaties een weg te wijzen die recht doet aan de wil van God. Nu lijkt het woord “pastoraal” vooral te kijken naar de behoefte van de mens. Het woord dient er vaak voor om de eisen van de geboden af te zwakken en om gelovigen onder alle omstandigheden toch een leuk leven of minstens hun zin te geven. De woorden “kruis, offer, versterving, straf en oordeel” zijn “pastoraal” gezien taboe. De moderne “pastores” gebruiken alleen woorden als “empathie, liefde, geborgenheid, hoop, vertrouwen, onvermogen”.

De pausen sinds Vaticanum II hebben via hun geschriften en toespraken die bestaande eenzijdigheid in grote delen van de Kerk proberen recht te trekken door de volle, vaak veeleisende waarheid te verkondigen. Dat is ook hun taak als paus. Zij dienen bewakers te zijn van de katholieke traditie en op te treden tegen ketterse eenzijdigheden en simplificaties. Een grote groep theologen, bisschoppen, priesters en leken zagen dit met lede ogen aan en hoopten op een ander, meer “pastoraal” geluid uit Rome. Zoals gebleken is, lieten sommigen het niet bij hopen alleen. Er was een groep kardinalen die aan het eind van het pontificaat van paus Johannes Paulus II regelmatig samenkwam om te bespreken hoe men een voorzetten van die lijn zou kunnen verhinderen. Deze “Maffia” van kardinalen zoals kardinaal Danneels deze groep noemde, slaagde er bij de eerste pauskeuze niet in Bergoglio op wie men zijn vertrouwen gesteld had, gekozen te krijgen. Het is waarschijnlijk ook deze groep (onder leiding van wijlen kardinaal Martini sj) die er bij Benedictus XVI op aangedrongen heeft afstand te doen. In het conclaaf dat erop volgde is het wel gelukt Bergoglio in het pauselijk zadel te helpen.

Het gevolg is echter dat de paus, die het zichtbare principe van eenheid moet zijn, nu de oorzaak is geworden van een grote verdeeldheid. Hij heeft niet alleen een manier van optreden die sommigen verfrissend en anderen lomp vinden. Dat is nog tot daaraan toe. Maar hij lijkt op leerstellig terrein in te gaan tegen de constante katholieke traditie, of minstens opvattingen die er tegenin gaan te ondersteunen. Sommigen zeggen: de paus heeft daartoe toch het recht. Hij is toch het hoofd van de Kerk. Maar de paus heeft dat recht niet. Hij is geen baas van de waarheid, hij is dienaar van de waarheid. Hij is slechts hoofd van de Kerk in eenheid met de Kerk van alle eeuwen. Daarom hebben pausen in hun geschriften altijd sterk geleund op de theologen uit de Congregatie voor Geloofsleer. Zij bewaakten de continuïteit en de orthodoxie van de pauselijke geschriften. En dat is vooral nodig als de paus zelf geen groot theoloog is. Paus Franciscus is geen theoloog maar hij maakte ook geen gebruik van de Congregatie voor de geloofsleer of ging voorbij aan al hun opmerkingen. Hij vertrouwt volledig op een middelmatig Argentijns theoloog, Victor Manuel Fernandez, die vooral aan het theologisch firmament schittert met het meesterwerk: “Genees me met de mond. De Kunst van het kussen.”

Met name in de exhortatie Amoris Laetitia staan dingen die lijken in te gaan tegen de constante leer van de Kerk. De befaamde Oostenrijkse theoloog Josef Seifert heeft zelfs in een artikel gesteld dat er een atoombom onder heel de katholieke moraal ligt als de paus onderschrijft wat men uit Amoris Laetitia kan lezen. Maar de paus uit zich niet rechtstreeks. Hij wil alleen de bijv. hertrouwd gescheidenen pastoraal in staat stellen weer volledig aan het leven de Kerk deel te nemen via biecht en communie. Volgens de traditionele leer van de Kerk mag dat alleen als men een einde maakt aan de overspelige relatie of, indien dat niet kan bijv. vanwege kinderen, als men leeft als broer en zus. De paus lijkt dat laatste niet zo’n gelukkig idee te vinden en hij geeft de indruk dat echtbreuk (zo noemt Jezus een tweede huwelijk) weliswaar zonde is maar toch steeds minder zonde wordt als het langer duurt en de mensen het goed bedoelen en dan zouden ze misschien wel te communie mogen. Althans dat leiden de Duitse, de Argentijnse en de Maltese bisschoppen uit exhortatie af en paus knikt goedkeurend. De Poolse bisschoppen en veel Amerikaanse bisschoppen zeggen dat het niet mag. Ziehier de verdeeldheid.

Geruime tijd geleden zijn er al vier kardinalen geweest die rond deze kwestie vijf vragen (dubia) aan de paus hebben voorgelegd met het verzoek hieromtrent helderheid te verschaffen. Ze hebben dat zeer eerbiedig en nederig gedaan. Maar de paus heeft niet geantwoord. Hij heeft hen zelfs een audiëntie geweigerd. Ook de claqueurs rond de paus zijn niet met antwoorden of argumenten gekomen, alleen met zeer onterechte sneren naar de persoon van de kardinalen die allen een lange staat van dienst in de Kerk hebben.

Nu is een uitgebreid stuk naar de paus gegaan vanuit een wereldwijde groep van katholieke geleerden en clerici waarin opnieuw wordt gevraagd om duidelijkheid. Ook nu heeft de paus totaal niet gereageerd en daarom is men in de publiciteit gegaan. Het stuk heet een “filialis correctio”. Dit is naar analogie van het evangelische “correctio fraterna”, de broederlijke terechtwijzing waartoe Jezus oproept. Dit is dan een kinderlijke terechtwijzing omdat iedereen kan zien dat de manier waarop de paus schrijft en handelt schade toebrengt aan de eenheid van de Kerk en dat hij ketterijen bevordert. Er staat nergens dat de paus ketters is maar wel dat hij ketterijen bevordert en die ketterijen worden dan opgesomd en er wordt hem gevraagd deze ketterijen uitdrukkelijk te verwerpen. Het is een zeer gedegen en doorwrocht stuk met talloze verwijzingen naar kerkvaders en concilies.

We hopen dat de paus adequaat op dit stuk zal reageren. Want hoewel de paus in de Kerk grote bevoegdheden heeft, kan de Kerk niet lijdzaam toezien hoe een paus grote schade toebrengt aan de waarheid en de eenheid van de Kerk.

Het is overigens zeer merkwaardig dat een paus die zijn mond vol heeft over synodaliteit en dialoog, barmhartigheid en pastorale openheid, zich totaal afsluit voor mensen die het goed met hem en met de Kerk voorhebben, zelfs niet met hen wil praten en zich hooguit zich via derden snerend over hen uitlaat. Ik heb ik een eerder stuk opgeroepen te bidden voor de bekering van de paus. Velen vonden dat aanmatigend. Ik durf het in het licht van zijn gedrag opnieuw te vragen.

HH Cosmas en Damianus
26 september 2018
C. Mennen pr

De ketterijen waartoe de paus aanleiding geeft en die hij dient te herroepen

(ik geef hieronder de 7 ketterijen uit de Correctio filialis)

1. Een gedoopt iemand heeft niet de kracht met Gods genade de objectieve eisen van de Wet van God te vervullen alsof sommige van Gods geboden voor gedoopten onmogelijk zijn. (ingekort)

2. Christenen die burgerlijk gescheiden zijn van een echtgeno(o)te met wie ze geldig getrouwd zijn en die een burgerlijk huwelijk hebben gesloten met een ander terwijl hun echtgeno(o)te nog leeft en die als man en vrouw met hun burgerlijke partner leven, en die ervoor kiezen in deze toestand te blijven met volle kennis van de aard van hun daad en met volle instemming van de wil, zijn niet noodzakelijk in staat van doodzonde en kunnen heiligmakende genade ontvangen en groeien in liefde.

3. Een christengelovige kan volledige kennis hebben van een goddelijke wet en vrijwillig kiezen die wet te overtreden in een ernstige zaak, maar toch niet in staat van doodzonde zijn als gevolg van deze daad.

4. Iemand is in staat, terwijl hij gehoorzaamt aan een goddelijk verbod, te zondigen tegen God juist door die daad van gehoorzaamheid.

5. Het geweten kan naar waarheid en terecht oordelen dat de seksuele daden tussen personen die met elkaar een burgerlijk huwelijk zijn aangegaan, hoewel één van hen of beiden sacramenteel gehuwd is met iemand anders, soms moreel juist kunnen zijn of zelfs door God gewild.

6. Morele principes en morele waarheden die vervat zijn in de goddelijke openbaring en in de natuurwet bevatten geen negatieve verboden die een bepaald soort daden absoluut verbieden, zodat deze altijd ernstig ongeoorloofd zouden zijn vanwege hun object.

7. Onze Heer Jezus Christus wil dat de Kerk haar oeroude discipline opgeeft om de eucharistie te weigeren aan hertrouwd gescheidenen en om de absolutie te weigeren aan hertrouwd gescheidenen die geen berouw tonen over hun levensstaat en geen vast voornemen hebben om die levensstaat te verbeteren.

woensdag 26 juli 2017

Müller eruit - Maar de echte aanval is gericht tegen “Veritatis Splendor”

Kardinaal Müller, de prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, is door paus Franciscus de laan uitgestuurd. De audiëntie waarin dat gebeurde, duurde, volgens de kardinaal zelf, slechts een minuut en was zonder opgaaf van redenen. Kardinaal Müller betwist niet het recht van de paus hem te ontslaan maar wel de de weinig humane manier waarop dat gebeurde. De paus zou zich toch ook aan de sociale leer van de Kerk dienen te houden. Kardinaal Müller is altijd loyaal geweest aan paus Franciscus maar hij heeft wel gezegd dat zelfs een paus de leer van de Kerk niet kan veranderen en dat Amoris Laetitia uitgelegd moet worden in de lijn van de traditionele leer en dat dus mensen die in publiek overspel leven niet zonder bekering de communie kunnen ontvangen. Dat is blijkbaar te veel. Degene die in de Kerk te taak heeft de leer te bewaken, moet volgens Franciscus zijn mond houden, zelfs als de leer in gevaar is. Het is bekend dat voor zover de Congregatie voor de Geloofsleer de tekst van de stukken van Franciscus tevoren te zien kreeg, de opmerkingen van de Congregatie door de paus werden genegeerd. Ik zei laatst tegen een collega: "de paus lijkt wel een linkse Zuid-Amerikaanse dictator". Deze antwoordde: "maar dat is hij ook. Hij heeft niet voor niets zoveel sympathie voor velen van hen". In dat dictatoriale optreden paste ook het plotselinge ontslag enige tijd geleden van enkele naaste medewerkers van kardinaal Müller. Toen deze vroeg: "Maar waarom, heilige vader?", antwoordde Franciscus: "Ik ben de paus, ik kan doen wat ik wil."

Sandro Magister ziet in het ontslag van kardinaal Müller een aanval op de leer zoals die verkondigd is door paus Johannes Paulus II in zijn magistrale encycliek Veritatis Splendor. Franciscus houdt niet van de katholieke moraal die volgens hem te weinig aansluit bij het "echte" leven. Hierin past ook de ontmanteling van de instituten voor het gezin (waar in de naam zelfs Johannes Paulus II is geschrapt) en het leven. In beide instituten worden dubieuze figuren benoemd zoals voorstanders van abortus en mensen die werken met menselijke stamcellen. 

Commentaar van Sandro Magister
5 juli 2017

Op zondag 2 juli, de dag zelf waarop paus Franciscus kardinaal Müller afzette als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, steeg vanuit alle katholieke kerken van de Romeinse ritus aan het begin van de Mis het volgende gebed op naar God. Dit gebed heet in het missaal het “collectagebed”:

“Deus, qui, per adoptionem gratiae, lucis nos esse filios voluisti, praesta, quaesumus, ut errorum non involvamur tenebris, sed in splendore veritatis semper maneamus conspicui. Per Dominum nostrum…”

In de officiële nieuwe Nederlandse vertaling:

“God, Gij hebt ons genadevol aangenomen en gewild dat wij kinderen van het licht zijn, wij bidden U: dat wij niet omgeven worden door de duisternis van de dwaling maar altijd stand houden in het schitterend licht van de waarheid. Door onze Heer…..”

Toeval - of Goddelijke voorzienigheid? – heeft ervoor gezorgd dat de afzetting van kardinaal Müller begeleid zou worden door de gezongen liturgische bede dat “het schitterend licht van de waarheid” de Kerk mag blijven verlichten.
“Het schitterend licht van de waarheid” is nu juist de titel van de belangrijkste leerstellige encycliek van Johannes Paulus II, gepubliceerd in 1993.

Het is een encycliek “over enkele fundamentele vragen betreffende de morele leer van de Kerk”: juist de vragen die nu terugkeren en opnieuw een voorwerp van conflict zijn waarbij grote en invloedrijke delen van de Kerk betogen dat het tijd is – met name na de publicatie van “Amoris Laetitia”- enkele van de leidende principes van “Veritatis Splendor” achter ons te laten. Het is voldoende te constateren dat niet minder dan vier van de vijf “dubia” die in september van het vorig jaar aan paus Franciscus zijn voorgelegd door de kardinalen Walter Brandmüller, Raymond L. Burke, Carlo Caffarra en Joachim Meisner juist betrekking hebben op de samenhang of het ontbreken ervan tussen “Amoris Laetitia” en “Veritatis Splendor”. En deze “dubia” zijn nog steeds open vragen, voor een deel vanwege de weigering van paus Franciscus om ze in overweging te nemen en de weigering om de vier kardinalen te ontmoeten.

Maar wat was de ontstaansgeschiedenis en het doel van “Veritatis Splendor”? Om deze vraag te beantwoorden hebben we een uitzonderlijke getuige: Joseph Ratzinger. Als Müllers voorganger aan het hoofd van de congregatie voor de Geloofsleer droeg hij op substantiële wij bij aan het schrijven van deze encycliek. Maar zelfs na zijn terugtreden als paus blijft hij “Veritatis Splendor” beschouwen als “van onveranderde betekenis” en een encycliek die men ook nu nog “moet bestuderen en zich eigen maken”.

In 2014 wijst Ratzinger in een weloverwogen hoofdstuk voor een boek ter ere van Johannes Paulus II geen ander dan “Veritatis Splendor” aan als de belangrijkste en meest relevante van de veertien encyclieken van deze paus. Een hoofdstuk dat verdient herlezen te worden in het licht van wat er nu in de Kerk aan het gebeuren is onder bewind van zijn opvolger Franciscus.

Hier volgt de passage die de emeritus-paus wijdde aan die encycliek:

*

Over “Veritatis Splendor”

De encycliek over morele problemen “Veritatis Splendor” had vele jaren nodig om te rijpen en zij blijft van ongewijzigde betekenis. De Constitutie van Vaticanum II over de Kerk in de wereld van vandaag wilde in tegenstelling met de tendens in de moraaltheologie toen om zich te focussen op de natuurwet, dat de katholieke moraalleereen bijbelse fundering zou krijgen  rond de figuur van Jezus en zijn boodschap. Met horten en stoten heeft men dat gedurende een korte periode geprobeerd. Dan vatte de mening post dat de Bijbel geen eigen morele boodschap heeft maar verwijst naar morele modellen die geldig zijn voor hun tijd en plaats. Moraliteit is een kwestie van de rede, zei men, niet van geloof.
Zo verdween enerzijds de moraliteit begrepen in termen van natuurwet, maar een christelijke opvatting van moraliteit kwam er niet voor inde plaats. En omdat noch een metafysische noch een christologische fundering voor de moraal kon worden geaccepteerd, nam men zijn toevlucht tot pragmatische oplossingen: een moraliteit vanuit het principe van het streven naar het grotere goed, waarin iets niet langer echt kwaad of echt goed is, maar alleen iets dat uit het oogpunt van doelmatigheid beter of slechter is. De grote opgave die Johannes Paulus zich stelde in deze encycliek was de herontdekking van een metafysische fundering in de antropologie, ook als een christelijke concretisering van het nieuwe mensbeeld in de Heilige Schrift. Het bestuderen en het zich eigen maken van deze encycliek blijft een grote en belangrijke plicht.

*

Als we zien wat er vandaag de dag in de katholieke Kerk gebeurt, zelfs op het hoogste niveau, dan zien we dat alle motiveringen voor de encycliek “Veritatis Splendor” opnieuw aanwezig zijn, met dezelfde zo niet grotere dramatische kracht. En zij maken meer dan ooit de bede relevant dat wij mogen blijven in “het schitterend licht van de waarheid” die vorige uit alle kerken opsteeg.

vertaling C. Mennen pr