maandag 9 juli 2018

Angelus bidden voor de bekering van de moslims


Na de val van Constantinopel voor de Turken in 1453, zag deze stad haar bevolking tot slaaf gemaakt worden en de Aya Sofia werd in een moskee veranderd. Paus Callixtus III vroeg de Kerk om 's morgens en' s avonds het Angelus te bidden om van God "de bekering van moslims en de vrede" te verkrijgen.
Het Angelus herdenkt de momenten van de Incarnatie van Jezus, wiens naam in het Hebreeuws betekent "God redt": de aankondiging door de engel Gabriël aan een Joods meisje genaamd Maria; Maria aanvaardt dat het Woord, het woord (dat God zelf is volgens de evangelist Johannes), het vlees aanneemt door de werking van de Heilige Geest, om Jezus te baren.
Het gebed van de Angelus ontleent zijn naam aan zijn eerste Latijnse woord "Angelus nuntiavit Mariae" (de Engel van de Heer heeft gezegd tot Maria). De eerste drie verzen zijn gemaakt van een versregel en een antwoordvers, telkens gevolgd door een Ave Maria (Weesgegroet), dat doet denken aan de christelijke mysteries van de Aankondiging, van de maagdelijke conceptie van Jezus, persoonlijke aanvaarding van de goddelijke wil door Maria, zodat het Woord bij de mensen kon komen wonen. Het gebed eindigt met een gebed dat de weg van redding door Christus samenvat.
Dit gebed wordt driemaal per dag in de Latijnse kerk gereciteerd, om zes, twaalf en achttien uur, maar dit schema kan per baan en regio verschillen. Zo luiden de klokken in Frankrijk meestal om zeven uur, twaalf uur en negentien uur. Op deze momenten klinkt er een 'angelusklok' – het angelus wordt omringd door drie maal drie klokslagen, gevolgd door een 'volledig luiden' of een hymne.
Wie zal zeggen dat dit gebed niet langer relevant is? De hordes van Allah maken er geen geheim vandaag de rest van Europa te willen veroveren, omdat dit de roeping van de islam is: om de hele wereld aan de sharia te onderwerpen.  Deze wet is even onmenselijk als demonisch, evenzeer is het waar dat na Christus alleen de Antichrist kan komen. Daarom is het dringend nodig om de bron te vinden waaruit onze specifieke geschiedenis en onze beschaving voortsproot: het Hart van Jezus, die ons dit gebod gaf: "Heb elkaar lief zoals ik van u heb gehouden. "(Johannes 15:12). Het was Zijn liefde die de heiligen en de kunsten voortbracht, zoals nergens anders, ziekenhuizen en universiteiten, het verbod op abortus en slavernij, en zelfs de liefde voor vijanden.
Als driemaal per dag, bij zonsopgang, 's middags en in de schemering, de christenen even stilstonden om zich op hun knieën het goede nieuws in gedachte te brengen: het Woord van God is geïncarneerd en aanbid God die mens werd ... dan zou het leven veranderen! Het gebed van het Angelus is een concentraat van de belangrijkste dogma's van het christelijk geloof, precies die de islam verworpen heeft: God is drie-eenheid, de goddelijkheid van Jezus, aangeduid door de maagdelijkheid van zijn moeder, zijn incarnatie, zijn dood en opstanding, en daarom de verlossing van de wereld. Als God mens is geworden, als God met ons is, dan zijn wij met Hem en reeds met Hem in het paradijs! Dit is wat voortdurend de levens van mensen telkens opnieuw in de juiste richting oriënteert: de gedachte aan God, die Liefde is, en Hem danken voor Zijn onpeilbare genade.
Het Directorium voor Volksvroomheid en Lliturgie vraagt ​​dat "geen middel mag worden verwaarloosd om het gebed van de Angelus levend te houden en de verspreiding ervan te stimuleren" (Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Discipline van de Sacramenten, 2002 (Congregatie No. 195).

zondag 8 juli 2018

Een bijdrage aan de verwarring

Pastoor C. Mennen

Verwarring, ook in de Kerk, ontstaat als men, paus en bisschoppen, niet duidelijk zijn. Die verwarring is onnodig, als men de waarheid van het geloof zoals dat ons is overgeleverd, duidelijk verkondigt en uitlegt. Vandaag wordt vaak de kunst beoefend van mooi maar tamelijk vaag te spreken. De teksten spreken van begrip en compassie voor de mens in zijn realiteit. Waarheden en oordelen zijn in die context altijd niet pastoraal en van gisteren. Deze manier van spreken wordt door veel mensen als aangenaam ervaren maar nergens in het evangelie heb ik gemerkt dat dit de taal van Jezus is. De column van onze bisschop die hier in gedeelten volgt, zullen daarom de meeste mensen wel mooi en inspirerend vinden maar ik heb er zo mijn kanttekeningen bijgeplaatst.

Christen ben je altijd met andere christenen. Juist als rooms-katholieken weten wij ons geroepen in te voegen in het geloof van de gemeenschap. Wij staan op de schouders van vele generaties gelovigen die ons zijn voorgegaan. Zo ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Dat klopt. Als katholieken moeten wij ons invoegen in de gemeenschap. Dat we op de schouders van vele generaties gelovigen staan, is wel waar maar tegelijk theologisch gezien wat mager. We gebruiken voor de verbondenheid met en in de gemeenschap meestal de terminologie van de heilige Robertus Bellarminus (1542-1621). Deze zegt dat de volle gemeenschap met de katholieke Kerk bestaat in drie banden (vincula): het vinculum symbolicum (de band van hetzelfde geloof), het vinculum liturgicum (de band van dezelfde sacramenten) en het vinculum hierarchicum (de band van hetzelfde hiërarchische bestuur). Als we die drie banden onderhouden ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Tegelijk weten wij ook dat er altijd een gradatie in de betrokkenheid van gelovigen is geweest. Niet weinigen stemmen maar gedeeltelijk in met de leer van de Kerk. Vanzelfsprekend ziet iedere bisschop dat liever anders, maar het is wel de realiteit door de eeuwen heen. Kennis van de geschiedenis kan ons wijs maken. Anders gezegd: vanaf het begin van de Kerk valt er voortdurend een spanning tussen leer en leven te ontdekken.

Ook dit klopt. Maar we moeten wel onderscheid maken tussen de volgende drie dingen die in de column nogal door elkaar lopen:
1. Er is altijd een gradatie van betrokkenheid geweest van de gelovigen in die zin dat bijv. sommigen dagelijks deelnamen aan de liturgie en zich volop bij het leven van de Kerk betrokken voelden; en dat anderen precies deden wat voorgeschreven was; weer anderen waren op meerdere of mindere afstand betrokken. De pastorale reactie van de Kerk hierop was altijd: instemming met hen die zeer betrokken waren; aansporing aan de minimalisten om iets meer inspanning te doen; en aan degenen die onder de maat bleven, de aansporing zich te bekeren, te biechten en weer aan het volle leven van de Kerk deel te nemen.
2. In de column staat dat door de eeuwen heen niet weinigen maar gedeeltelijk instemmen met de leer van de Kerk. Dat is bij tijd en wijle zo geweest. Maar de Kerk heeft dit nooit als een gegeven aanvaard waarbij ze zich neer zou moeten leggen. Tegen afwijkingen van de leer in woord of geschrift heeft de Kerk zich altijd verzet. Het publiek uiten van een leer die ingaat tegen de leer van de Kerk en dit hardnekkig blijven doen, ook na een waarschuwing, is altijd niet alleen als een zware zonde maar ook als een kerkelijk misdrijf beschouwd en is zo is het nog: het misdrijf van ketterij waarop een automatische excommunicatie stond en staat. Dit afwijken van de kerkelijke leer is niet alleen iets dat een bisschop liever anders ziet, Hij wordt als herder van de kudde verwacht ertegen op te treden en te zorgen dat deze opvattingen de gemeenschap niet verzieken.
3. Dan constateert de column een spanning de eeuwen door tussen leer en leven. Dat zijn mensen die de leer wel aanvaarden, ook de leer op moreel terrein maar die er in zwakheid, in de praktijk van het leven feitelijk tegenin gaan. Hier was de pastorale praktijk van de Kerk altijd: de mensen oproepen zich te bekeren en weer volgens de evangelische leer te leven.

Gevoeligheid
Onze goede paus Franciscus lijkt een grote gevoeligheid voor deze realiteit te hebben. Falende en zondige mensen moet de Kerk niet afwijzen en afstoten, maar op een herderlijke wijze tegemoet treden. Voor de paus is de kerk als een ziekenhuis, waar mensen die gekwetst en gebutst langs de levensweg liggen, weer op adem kunnen komen.

Falende en zondige mensen mag de Kerk uiteraard niet afstoten. Die moet zij liefdevol en herderlijk tegemoet treden. Zij mag echter nooit de indruk wekken dat zij de zonde goedkeurt. In haar charitatieve organisaties moet zij iedereen hulp bieden en in iedere zondige en gewonde mens het gelaat van Christus herkennen. Maar dat wil niet zeggen dat de eerste oproep van Jezus in zijn openbare leven, moet verstommen of verzwakken. En die uitspraak is: “Bekeert u want het Rijk der hemelen is nabij”. (Mt. 4, 17; “Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”, Mc. 1, 15). Bij een herderlijke benadering van de “gekwetsten en gebutsten” moet zoals bij Jezus de oproep tot bekering aanwezig zijn zodat mensen echt “op adem kunnen komen” (de ware Geest kunnen inademen) in de Kerk.
In de manier waarop de bisschop (maar ook de paus) het formuleert, lijkt de Kerk vooral een sociaal veldhospitaal maar geen opvanghuis waar de ziel van zonden genezen wordt en weer in het evangelische spoor wordt gebracht. Althans de formuleringen in die trant mis ik voortdurend.

Nergens blijkt dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Maar wel wil hij rekening houden met de weerbarstigheid van ons bestaan. In de loop van de kerkgeschiedenis blijkt er een organische groei in het kerkelijk spreken. Pausen hebben bijvoorbeeld ooit opgeroepen tot kruistochten; de huidige Kerk denkt heel anders over oorlogen en het gebruik van geweld.

Er zijn er velen in de Kerk – en vaak niet de minste theologen – die constateren dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Of is het geen ingaan tegen de leer van de Kerk als je uitdrukkelijk het bestaan van de hel en de onsterfelijkheid van de ziel ontkent? Hij heeft dit weliswaar niet in een stuk van het leergezag geschreven maar hij heeft het wel herhaalde malen gezegd (tegen atheïstische vriend Scalfari) volgens publicaties waarvan het Vaticaan zich niet heeft gedistantieerd. Veel vaker nog heeft hij pastorale oplossingen gesuggereerd die onmogelijk zijn als je orthodoxe standpunten inneemt. Hij probeert pastoraal los te maken van de leer door de leer te handhaven en tegelijk praktijken toe te staan die die leer op losse schroeven zetten. Dit is zo bij de beruchte voetnoot in Amoris Laetitia maar ook nu weer bij een feitelijke goedkeuring van het intercommuniestandpunt van de Duitse bisschoppen. In beide gevallen zijn de voorwaarden zoals begeleiding door een priester en weg van onderscheiding feitelijk pastorale rookgordijnen die spoedig zullen verwaaien.
De vraag of de leer van de Kerk rond oorlog en geweld zoveel veranderd is, is maar de vraag. Volgens mij is de Kerk altijd tegen een aanvalsoorlog geweest. Alleen een verdedigingsoorlog was en is nog steeds gerechtvaardigd. Ook de kruistochten werden als een verdedigingsoorlog gezien.
Er is inderdaad een groei in het kerkelijke spreken maar dat kan alleen maar het ontvouwen van een reeds aanwezige waarheid betekenen. Het kan in ieder geval niet tegen een altijd geloofde waarheid ingaan. Het probleem is dat men nu door middel van wollig (ofwel pastoraal) spreken feitelijk tegen een altijd aanvaarde waarheid ingaat.

Gevoelige thema’s
Het lijkt mij vruchtbaar dat theologen en het leergezag – in het licht van de Heilige Schrift, de traditie en nieuwe wetenschappelijke inzichten – blijven nadenken over gevoelige thema’s als echtscheiding, homoseksualiteit, eucharistische gastvrijheid en intercommunie (het over en weer deelnemen aan elkaars eucharistie/avondmaal).

Een spannende vraag is ook hoeveel verscheidenheid er binnen de eenheid van de kerk kan zijn. Onze toekomst is open. Wie weet wat de Geest van God ons zal laten ontdekken.

De door de bisschop genoemde thema’s kunnen zoals alle thema’s van de leer verder worden uitgediept. Maar het is voor de katholieke Kerk ondenkbaar dat echtscheiding zou worden toegestaan, al is het om zeer pastorale redenen en in welomschreven gevallen. De uitspraken van Jezus hieromtrent zijn te duidelijk. Om echtscheiding mogelijk te maken moet al je toevlucht nemen tot de theologisch hoogstaande opmerking van de opperjezuïet, Arturo Sosa Abascal, (ook al een Zuid-Amerikaan), dat er niemand bij Jezus heeft gestaan met een typemachine, daarmee suggererend dat de evangelist deze uitspraak van Jezus niet goed begrepen of uit zijn duim gezogen heeft. Over homoseksualiteit zijn de Bijbelse uitspraken ondubbelzinnig en ook is de leer over de van God gegeven morele natuurwet stevig in de traditie verankerd. Toenemende wetenschappelijke inzichten zijn hier ook niet aan te voeren. Tot in de jaren zestig was het algemene inzicht van de wetenschap dat homoseksualiteit een abnormaliteit was. Ik heb wel gezien dat sindsdien de opvatting van wetenschappers over dit onderwerp veranderd is maar ik heb nooit wetenschappelijke onderbouwingen daarvan gezien. Ook omtrent intercommunie is het standpunt van de Kerk duidelijk. En als de protestanten hun visie over eucharistie en ambt en over het sacramentele karakter van de Kerk niet bijstellen, zal intercommunie een leugen zijn.
De spannende vraag die de bisschop zich stelt, is eigenlijk de vraag naar een richtingenkerk zoals die in het Anglicanisme en het protestantisme bestaat. Is dat ook in de katholieke Kerk mogelijk? Het antwoordt daarop is helder: nee, nooit! Op het ogenblik is zich weliswaar onder invloed van bepaalde theologen en de diffuse leiding van paus Franciscus een richtingenkerk aan het ontwikkelen, maar dat zal gelet op de kerkgeschiedenis alleen maar leiden tot scheidingen en scheuringen. Immers de katholieke Kerk is gebouwd op de waarheid en wordt geleid door de Geest van de waarheid. En die waarheid is ondubbelzinnig en helder. In die zin is de toekomst niet open. In de Kerk is alleen toekomst voor mensen die deze waarheid volledig aanvaarden. Aanvallen op de waarheid zijn in binnen de Kerk niet te dulden. Zo is het altijd geweest en zo zal het blijven.

Blijvende dialoog
Sommige gelovigen, ook hoge geestelijken, menen dat de paus ruimte laat voor verwarring. Maar is het niet beter te spreken over een pauselijke bereidheid tot blijvende dialoog? Een dergelijke houding komt niet voort uit modernisme of vrijzinnigheid, maar vanuit het hart van het evangelie. God is in Christus naast ons gaan staan. Op onze beurt zijn wij geroepen dicht bij onze naaste te blijven. Als Christus ons heeft aanvaard, zijn ook wij geroepen elkaar te aanvaarden. Het gaat om de bereidheid tot een blijvende dialoog, die niet inhoudt dat wij onze diepste overtuigingen verloochenen, maar wel dat wij openstaan voor de werking van de Heilige Geest in de ander.

Uiteindelijk leven wij allemaal van pure genade. Dat gelovig besef kan ons nederig, mild en bescheiden maken.

De paus laat niet alleen ruimte voor verwarring. Hij schept zelf verwarring. Ik heb nog niet geconstateerd dat hij bereid is tot dialoog. Mensen die vragen hebben rond zijn uitspraken, wenst hij niet eens te ontvangen. Integendeel hij scheldt ze bij de eerste de beste gelegenheid de huid vol. Hij is gewoon systematisch, dikwijls op een indirecte manier, bezig zijn agenda en de agenda van Kasper c.s. die hem gekozen hebben, ten uitvoer te brengen. Deze agenda is volledig in strijd, ondanks zijn lofprijzingen aan hun adres, met waar de laatste pausen in lijn met de traditie voor stonden. Het heeft wel degelijk te maken met modernisme in zoverre hij de praktijk laat prevaleren boven de leer; de waarheid van het evangelie ondergeschikt maakt aan de praktijk van de moderne wereld.
Ik wil niet uitsluiten dat de Heilige Geest werkt in de ander, evenmin als ik wil uitsluiten dat het niet altijd de Heilige Geest is die in de paus werkt. Voor de onderscheiding van de geesten ben ik, sinds de Heilige Stoel het laat afweten, aangewezen op de Traditie van de Kerk zoals die tot mij komt via de Conciliedocumenten en de continue lijn van pauselijke documenten. In dat licht zie ik vaak de Heilige Geest in de ander maar ik zie ook vaak een onheilige geest die werkt in de naaste.

Niet alleen
De Kerk staat voor geweldige uitdagingen. Gelukkig staan wij er niet alleen voor. Na de hemelvaart van de Heer worden de leerlingen met een missionaire opdracht uitgezonden. In kracht van de Pinkstergeest zijn wij geroepen in de wereld van vandaag gemeenschap van Christus te zijn.

In 2016 verscheen een fijnzinnig interviewboekje met paus Franciscus onder de titel De naam van God is barmhartigheid. De God die in Christus bij ons is gekomen, heeft een groot hart voor zondaars en bedelaars. Mensen die moreel falen of sociaal zijn gemarginaliseerd, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint. In kracht van de Pinkstergeest kan het komen tot levensvernieuwing en een nieuwe start. Als christenen zijn wij geroepen om Gods barmhartigheid te weerspiegelen in ons alledaagse leven.

“Halve waarheden zijn hele leugens”, zegt het spreekwoord en dat is ook het geval als je steeds weer en praktisch uitsluitend roept dat God barmhartigheid is. Natuurlijk is God barmhartigheid maar hij is ook rechtvaardigheid. Als je dat laatste uit het oog verliest, wordt God gezien als een soort lamme goedzak die overal begrip voor heeft. Ook volgens de bijbel wordt Gods barmhartigheid die inderdaad oneindig is, opgewekt door berouwvolle bekering van de kant van de mens. Zonder die bekering kan er geen sprake zijn van Gods barmhartigheid. De vader van de verloren stond met zijn barmhartigheid volkomen machteloos, zolang die zoon in den vreemde bleef. Pas als hij spijt heeften terugkeert, zich voor zijn vader vernedert, gaat de barmhartigheid werken.
Pas in het licht van zijn oneindige rechtvaardigheid is Gods barmhartigheid te begrijpen. Ik hoor daar de paus en de mensen die hem welgevallig willen zijn, weinig over praten.
“Mensen die moreel falen of sociaal gemarginaliseerd zijn, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint.” Natuurlijk is dat waar. God bemint iedereen onvoorwaardelijk. Toch is “sociaal gemarginaliseerd” zijn van een totaal andere orde dan “moreel falen” ook in verband met de liefde van God. Bij sociaal gemarginaliseerden staat de liefde van God niets in de weg. Ze hebben zelfs een streepje voor. Maar zij die moreel falen hebben wel een obstakel opgeworpen tegen Gods liefde. Zij zullen moeite moeten doen om dat obstakel uit de weg te ruimen voordat die liefde van God in hun leven vruchtbaar kan worden.
Ik zie hier hetzelfde streven als breed in de postconciliaire Kerk tot uiting kwam in het vrij algemeen vertalen van “pro multis” in de consecratiewoorden met “voor allen”. Toch staat er in alle overgeleverde instellingsverhalen “pro multis”. De vertalers kunnen het niet verdragen dat Jezus zelf gezegd zou hebben dat zijn bloed in feite maar vergoten wordt voor velen en niet voor alle mensen. Dat dus ondanks de verlossingswil van Christus en Gods barmhartigheid niet allen gered worden

28 mei 2018
C. Mennen pr

“Ernstige nood“ of alibi ter verruiming van de intercommunie



Pastoor C. Mennen

Over de kwestie van de Duitse Bisschoppen en het antwoord van Rome over de toelating tot de communie van protestantse partners die met een katholieke gehuwd zijn, heeft nu Mgr. J. Hendriks als canonist zijn visie gegeven. Zie hier
Hieronder zal ik proberen aan te tonen, dat Mgr. Hendriks een belangrijk canoniek element in de discussie over het hoofd ziet, namelijk de "gravis necessitas" die door de wetgever vereist wordt.


In canon 861 stelt de kerkelijke wetgever dat de gewone bedienaar van het doopsel de bisschop, de priester en de diaken is. Echter in “casu necessitatis” (in geval van nood) mag iedereen dopen. Met “geval van nood” wordt bedoeld “als er doodsgevaar dreigt”. Alleen als de dood op de loer ligt, mag iedereen geoorloofd het doopsel toedienen. Niemand is ooit op de gedachte gekomen “geval van nood” ruimer te interpreteren door bijv. te erkennen dat grootouders hun kleinkind stiekem mogen dopen, als de ouders verzuimen het kind voor de doop aan te bieden. Er staat trouwens in de canon al een verruiming van de “casu necessitatis” bij. “Als de gewone bedienaar afwezig of verhinderd is”, kan iemand die door de plaatselijke ordinaris (bisschop of vicaris) is aangewezen geoorloofd dopen. Dat een dergelijke bepaling als elastiek wordt opgerekt is in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw gebleken, toen veel Nederlandse bisschoppen aan pastorale werkers en werksters standaard de bevoegdheid verleenden tot dopen, niet omdat er geen gewone bedienaar beschikbaar was, maar omdat het, naar men meende, de mogelijkheid bood pastorale werkers en priesters meer gelijk te schakelen. Bisschop ter Schure werd bij zijn aantreden met deze situatie geconfronteerd. Omdat hij meende dat deze interpretatie van de canon een ideologische oprekking en een uitholling van de ambtelijke bevoegdheden van priesters en diakens en dus niet volgens de bedoeling van de wetgever was, legde hij de vraag naar de legitimiteit aan Rome voor. Het antwoord was dat de canon bedoeld was voor uitgestrekte missiegebieden waar maandenlang geen priester kon komen maar niet voor een Nederlandse situatie waar een priester een weekend wordt uitgeroosterd of een dorp verder woont.

Als het nu gaat over canon 847 en de regelingen omtrent de “communicatio in sacris”, lijken de Duitse bisschoppen te kiezen voor een al te ruime opvatting van “gravis necessitas”. De canon zelf noemt “stervensgevaar……een andere ernstige nood (gravis necessitas)”. Dus “de ernstige nood” is dus niet zomaar een klein ongemakje of een bepaalde behoefte. De “ernstige nood” moet zich dus bewegen in de orde van grootte van het “stervensgevaar”. Geleerde commentaren op de Codex noemen dan bijv. vervolging of gevangenschap. Alleen in dergelijke zwaarwegende uitzonderingsgevallen kunnen bisschoppen(conferenties) op de gewone voorwaarden het communiceren door protestanten toestaan.

De praktijk waarvoor de meeste Duitse bisschoppen lijken te kiezen bij het toestaan van de communie aan protestantse partners die met een katholiek gehuwd zijn, is niet het oplossen van een “ernstige nood” in canonieke zin, maar eerder het oplossen van een zeker oecumenisch ongemak, waarschijnlijk met een ideologische bedoeling: de intercommunie op deze wijze te forceren

Zoals indertijd bij de kwestie van de doop door pastorale werkers, toen Rome bepaalde dat van “afwezig of verhinderd zijn van de gewone bedienaar” in Nederland geen sprake was, zo had nu Rome aan de Duitse Bisschoppen moeten zeggen dat een gemengd huwelijk geen “gravis necessitas” constitueert en dat op deze manier geen intercommunie mag worden ingevoerd. De bisschoppen aansporen om een eensgezind standpunt in te nemen, is een  materieel ondersteunen van  feitelijke intercommunie.

In zijn artikel op Arsacal heeft Mgr. Hendrik op canonieke gronden de beslissing van de paus gebillijkt. Ik hoop hierboven te hebben aangetoond dat hij bij zijn redenering te weinig ingaat op het begrip “gravis necessitas” dat in dit verband cruciaal is.

Omdat canonieke regels uiteindelijk altijd het welzijn van de Kerk en het heil van de zielen op het oog hebben, wil ik hier nog enkele kwesties aan de orde stellen waardoor in deze zaak ofwel het welzijn van de Kerk ofwel het heil van de zielen in gevaar worden zou kunnen wordent.

1. Omdat in de katholieke opvatting de sacramentele communie en de kerkelijke communio ten nauwste met elkaar samenhangen, kun je je afvragen of het toestaan van individuele uitzonderingen (zelfs van orthodoxen) al niet betekent dat die individuele communie botst met de kerkelijke communio en in zich een leugen betekent. Daarom moet zij zeker voorzichtig zijn die uitzonderingen al te zeer uit te breiden.

2.  De Duitse bisschoppen spreken wel over de juiste gesteltenis maar lijken niet te insisteren op de biecht voor de niet-katholieke partner. Wordt de juiste gesteltenis bepaald door de katholieke moraal of door de protestantse moraal die toch wel wat losser is?

3. Wat is het katholieke geloof rond de eucharistie: is dat alleen de aanwezigheid van Christus in de eucharistie. Of is dat de totale katholieke opvatting waaronder ook vallen het offerkarakter van de Mis, de volmaakte eredienst van de heilige Mis en de Mis als centrum en hoogtepunt van het geloof en van de Kerk. Hoe moet je dat geloof controleren. Bij een regelmatig communiceren moet dat ook uiterlijk te constateren zijn. Immers de parochianen kennen de betrokken persoon als protestant. Deze zal dus uiterlijk blijk moeten geven van zijn katholieke opvatting.

4. Zal deze uitbreiding geen sneeuwbaleffect hebben zodat alle protestanten, als ze toevallig in de kerk zijn te communie zullen gaan. Bovendien zullen niet nog meer priesters dan nu al iedereen tot de communie uitnodigen? Dat zal een verder afkalven van het katholieke besef van de eucharistie zijn. Het lijkt erop dat de paus en allen die hem (en de meerderheid van de Duitse bisschoppen) bijvallen, dit op de koop toenemen. We groeien zo toe naar een “fijn-samen-aan-tafel-sfeer”. Dat de discussie zich nu al niet op een katholiek niveau afspeelt bewijst een Lutherse cabaretier die op de Katholikentag in Münster luidkeels de “ouwel” (Oblate) opeiste omdat er in een gemengd huwelijk toch via de Kirchensteuer toch belasting voor betaalde.
Zal, omgekeerd, de katholieke partij zich blijven onthouden van deelname aan het avondmaal, als ze daartoe uitgenodigd wordt (wat zeker gebeurt)? Dat zal moeilijk zijn want niet deelnemen zal een zeker affront betekenen tegenover de Lutherse partij die toch ook aan de katholieke eucharistie deelneemt.
Is het niet vreemd en zal het niet als weinig oecumenisch ervaren worden als je als Kerk wel deelname aan de eucharistie toestaat maar anderzijds deelname aan het avondmaal zo duidelijk afwijst?

5. Begeleiding door een priester en onderscheiding zijn zaken waar ik in dit verband weinig vertrouwen in heb maar die op papier mooi klinken. De zaak lijkt zo goede geregeld maar is dat niet.

6. De zaak is des te dubieuzer omdat een groot aantal katholieken niet meer weten wat de eucharistie en een zeer nonchalante houding ten aanzien van de eucharistie aannemen. De bisschoppen zouden zich beter hierop richten voordat ze andersdenkenden tot de Maaltijd des Heren toelaten.

C. Mennen pr
Maria Moeder van de Kerk
21 mei 2018

De Laatste Tijden (9)

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz. 202
Uitg. St. Maria Valtorta
2 augustus 1943


De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“Zeg tegen Pater M., die om een teken vraagt om zijn confraters te overtuigen van bepaalde waarheden die men niet kan ontkennen, dat Ik hem hetzelfde antwoord geef wat Ik aan de rijke zwelger heb gegeven: ‘Als ze niet luisteren naar Mozes en de profeten, zullen ze ook niet luisteren naar iemand die uit de doden is opgewekt’ (Lc. 16,31).
Als ze niet naar de stem van het geweten luisteren, dat door Mij wordt geïnspireerd, dat zijn onaanvechtbare en ware waarschuwingen uitroept, als ze ook de rest aan gevoeligheid die in hen blijft verstikken onder ongeloof, hoe wilt u dan dat andere dingen hen doen luisteren? Als ze hun hoofden niet buigen voor de realiteit die hen treft, en zich niet herinneren, niet begrijpen, niets aannemen, hoe wilt u dat ze in een teken geloven?

dinsdag 5 juni 2018

Interview met bisschop Athanasius Schneider


Bisschop Athanasius Schneider maakt steeds meer zijn naam waar. Hij reist heel de wereld rond en komt moedig op (samen met andere bisschoppen van Kazachstan) voor het orthodoxe katholieke geloof dat overal in de wereld, tot in Rome toe, bedreigd wordt. Immers zijn naam genoot en patroonheilige was in de Ariaanse crisis in de Kerk een tamelijk eenzame voorvechter voor het katholieke geloof. Hier volgt een interview met OnePeterFive, waarin onderwerpen aan de orde komen als: zegening van homoseksuelen, communiceren door protestanten en gehuwd priesterschap.

Maike Hickson (MH):
Aan het begin van het jaar stelden vertegenwoordigers van de Duitse Bisschoppenconferentie een zegen voor homoseksuele paren voor. Wat is daarop het antwoord in het licht van het katholieke geloof?

Bisschop Athanasius Schneider (BAS):
Het geven van een zegen aan een homoseksueel paar betekent het zegenen van de zonde, niet alleen van buitenhuwelijkse seksuele handelingen maar wat nog erger is, van seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht, dat is het zegenen van de zonde van sodomie, die door heel de mensengeschiedenis en door de hele christelijke traditie beschouwd wordt als een ten hemel schreiende zonde (vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1867). Waarom schreit een dergelijke zonde ten hemel? Omdat ze op directe wijze te niet doet, schendt en in strijd is met de natuur en de ordening van de menselijke seksualiteit in de wederzijdse complementariteit van de twee geslachten zoals ze in de oneindige wijsheid van God geschapen zijn. Homoseksuele handelingen of homoseksuele relaties gaan rechtstreeks in tegen het verstand en iedere logica, en tegen de uitdrukkelijke wil van God.
Homoseksuele handelingen zijn intrinsiek zo onzinnig dat men ze bijv. kan vergelijken met de onzinnigheid van het frustreren van de werking van de veiligheidsgordel waar de “tong” (mannelijk) in de “gesp”(vrouwelijke verbinding) geduwd wordt. Iedereen met gezond verstand zal zeggen dat het onzinnig is voor een veiligheidsgordel alleen twee tongen of alleen twee gespen te gebruiken. Dat zal niet werken en zal in veel gevallen de dood veroorzaken omdat de gordel niet was vastgemaakt. Zo veroorzaken ook homoseksuele handelingen de geestelijke dood en dikwijls de fysieke dood vanwege het extreem hoge risico op geslachtsziekten.
Als geestelijken het zegenen van homoseksuele relaties promoten, promoten zij een zonde, die ten hemel schreit, en zij promoten een logische absurditeit. Dergelijke geestelijken begaan daarbij een zware zonde en hun zonde is zelfs ernstiger dan die van de homoseksuele partners die zij zegenen omdat zij deze mensen aanmoedigen tot een leven van voortdurende zonde en hen bijgevolg bloot stellen aan het reële gevaar van de eeuwige veroordeling. Deze geestelijken zullen zeker van God  – op het ogenblik van hun persoonlijk oordeel – deze woorden te horen krijgen: “Als Ik tot de boosdoener zegt: Ge zult zeker sterven, en gij waarschuwt hem niet, en laat na hem op zijn slecht gedrag te wijzen om zijn leven te redden, dan zal die boosdoener weliswaar om zijn eigen schuld sterven, maar u zal Ik rekenschap vragen van zijn bloed.” (Ez. 3, 18) De geestelijken die homoseksuele praktijken zegenen voeren opnieuw een soort heidense tempelprostitutie in. Een dergelijke klerikaal gedrag is vergelijkbaar met geloofsafval en op hen zijn volledig toepasbaar de volgende woorden van de Heilige Schrift: “Want sommige lieden, wier vonnis al lang in de Schrift beschreven staat, zijn erin geslaagd heimelijk uw gemeente binnen te dringen; goddeloze mensen zijn het, die de genade van onze God misbruiken als voorwendsel voor losbandigheid, en Jezus Christus, onze enige Meester en Heer, verloochenen.” (Jud. 4)

MH: Pater Anselm Grün, een Duits schrijver wiens boeken onlangs door de paus geprezen zijn, zegt nu dat hij zich in de toekomst een vrouwelijke paus kan voorstellen. Kardinaal Schönborn heeft ook onlangs gezegd dat een toekomstig concilie nieuwe regels zou kunnen opstellen voor vrouwelijke priesters en zelfs bisschoppen. Wat is hier mogelijk en goed in de Kerk en wat niet? Wat is de eigen rol van vrouwen in de Kerk in het licht van de evangelies?

BAS:
Door goddelijke beschikking kan het sacrament van de wijding (sacramentum ordinis) alleen toegediend worden aan een man. De Kerk heeft niet de macht dit wezenlijk kenmerk van dit sacrament te veranderen, omdat zij geen substantieel aspect van de sacramenten kan veranderen, zoals het Concilie van Trente heeft geleerd (vgl. sess. 21, cap. 2). Paus Johannes Paulus II heeft verklaard dat de onmogelijkheid om vrouwen te wijden een onfeilbaar leerstuk van het gewone universele leergezag is (vgl. antwoord van de Congregatie voor de Geloofsleer van 28 oktober 1995).
Wie hardnekkig deze geopenbaarde waarheid betwijfelt of ontkent, begaat de zonde van ketterij, en als je het publiek en hardnekkig blijft doen, wordt de zonde een canoniek misdrijf dat een automatische excommunicatie (latae sententiae) met zich meebrengt. Er zijn een aantal clerici, zelfs in de rijen van de bisschoppen, die tegenwoordig die zonde bedrijven en zich daarbij onzichtbaar afscheiden van de gemeenschap van het katholieke geloof. Op hen kunnen gerust de volgende woorden van God worden toegepast: “Zij zijn uit ons midden voortgekomen, maar zij behoorden niet werkelijk tot ons.”(1 Joh. 2, 19).
Geen paus, geen oecumenisch concilie kan ooit een vrouwenwijding toestaan (noch tot het diaconaat, het presbyteraat of het episcopaat). Als ze in een hypothetisch geval zoiets zouden doen, zou de Kerk worden vernietigd in een van haar wezenlijke werkelijkheden. Maar dit kan nooit gebeuren omdat de Kerk onverwoestbaar is en Christus het ware hoofd is van zijn Kerk, die niet zal toestaan dat de poorten van de hel haar in dit concrete aspect zullen overweldigen.
De mooiste, de meest unieke en onvervangbare rol van de vrouw in de Kerk is de roeping tot en de  waardigheid van het moederschap, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk omdat iedere vrouw van nature moederlijk is. Innig verbonden met haar moederlijke roeping is haar roeping tot en waardigheid van bruid. In haar waardigheid van bruid verkondigt de vrouw de waarheid dat elke christelijke ziel, en dus ook de ziel van de man, een bruid van Christus moet zijn. In roeping tot moeder en bruid, beleeft de vrouw het innerlijk priesterschap van het hart dat uniek is voor haar en dat complementair is aan het uiterlijke ministeriële mannelijke priesterschap van de apostelen. Hoe wijs heeft God de orde van de natuur ingericht, die we zelfs mooier terugzien in de orde van de genade, in het sacrament van de heilige wijdingen! Een vrouwenwijding zou de goddelijke orde vernietigen en zou alleen geestelijke lelijkheid brengen, geestelijke onvruchtbaarheid en uiteindelijk afgoderij.

MH: De Duitse bisschoppen keurden in februari een papier goed dat protestantse echtgenoten van katholieken in individuele gevallen en na een periode van onderscheiding toestaat op regelmatige basis de heilige communie te ontvangen. In het licht van de sacramentele ordening van de Kerk en ook in het licht van de noodzaak voor katholieken regelmatig tot het sacrament van de biecht te naderen, is een dergelijke zet van de Duitse bisschoppen überhaupt geoorloofd en mogelijk?

BAS:
Sinds de tijd van de apostelen (vgl. Hand. 2, 42) zijn de volheid van het geloof (doctrina apostolorum), de hiërarchische communio (communicatio) en de eucharistische communie (fractio panis) onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij het toelaten van iemand tot de heilige communie mag de Kerk die persoon nooit dispenseren van het belijden van de volheid van het katholieke geloof. Het is onvoldoende van hem slechts het katholieke geloof in de het sacrament van de eucharistie  te vragen (in het sacrament van de biecht of de ziekenzalving). Een gedoopt iemand toelaten tot de heilige communie en hem niet als noodzakelijke voorwaarde vragen dat hij alle andere katholieke waarheden aanvaardt (bijv. de dogma’s over het hiërarchisch en zichtbaar karakter van de Kerk, het jurisdictieprimaat van de paus, de onfeilbaarheid van de paus, van de oecumenische concilies en van het universeel en gewoon leergezag, de Mariale dogma’s) is in tegenspraak met de noodzakelijk zichtbare eenheid van de Kerk en met de aard van het eucharistisch sacrament zelf. Het eigen effect namelijk van de eucharistische communie is de uiting van de volkomen eenheid van de leden van de Kerk in het sacramentele teken van de eucharistie. Daarom is het ontvangen zelf van de heilige communie in de katholieke Kerk – zelfs in uitzonderlijke gevallen – door een protestantse of een orthodoxe christen uiteindelijk een leugen. Het is in tegenspraak met het sacramentele teken en de innerlijke sacramentele werkelijkheid, in zoverre zij, de niet katholieken die te communie gaan, willens en wetens zichtbaar blijven horen bij het andere geloof van hun protestantse resp. orthodoxe gemeenschappen.
Wij zien in dit verband ook het problematische en tegenstrijdige principe van canon 844 van het Wetboek van Canoniek Recht (over de toediening van bepaalde sacramenten zoals de heilige eucharistie aan niet-katholieke christenen in noodsituaties of bij levensgevaar). Dit principe gaat in tegen de apostolische traditie en de constante praktijk van de katholieke Kerk gedurende tweeduizend jaar. Reeds in de  tijd vlak na de apostelen (in de tweede eeuw) leefde de Romeinse Kerk deze regel na zoals de heilige Justinus getuigt: “Dit voedsel wordt onder ons eucharistie genoemd en niemand mag er deel aan hebben dan slechts iemand die gelooft dat de dingen wij leren, waar zijn” (Apol. I, 66). Het probleem, dat onlangs door de Duitse bisschoppenconferentie is geschapen, is – om eerlijk te zijn – slechts het logische gevolg van de problematische toegevingen zoals geformuleerd in canon 844 van het Wetboek van Canoniek Recht.

MH: Sommige waarnemers worden hier herinnerd aan de invoering van de communie op de hand, die eerste regionaal werd ingevoerd, alleen om later voor de universele Kerk te worden ingevoerd. Ziet u hier parallellen?

BAS: Volgens de logica van de menselijke zwakheid, de dynamiek van de ideologische druk en de besmettende gevolgen van slechte voorbeelden zullen ook de uitzonderingen waarin de communie aan protestanten wordt gegeven, mettertijd een grote verspreiding krijgen die dan moeilijk te stoppen zal zijn.

MH: Ziet u in het licht van het jongste Duitse intercommunieproject grenzen aan de roep om decentralisatie in de Kerk?

BAS: Als er een reëel gevaar is dat in een particuliere Kerk de integriteit van het katholieke geloof en de daarmee corresponderende sacramentele praktijk wordt aangetast, moet de paus zijn plicht doen en deze gebreken corrigeren om de eenvoudige gelovigen te beschermen tegen een afwijking van de zuiverheid van het katholieke en apostolische geloof. Wanneer bisschoppen tegen hun opdracht ingaan die zegt dat zij “de eenheid van het geloof en de discipline die eigen is aan heel de Kerk [moet] bevorderen” (Vaticanum II, Lumen Gentium 23), dat moet de paus tussenbeide komen vanwege zijn taak als “de leraar van alle gelovigen” en de “hoogste leraar van heel de Kerk” (Lumen Gentium 25). Als tijdens de vaart enkele van de scheepsofficieren gaten beginnen te boren in de zijkant van het vaartuig, kan de scheepskapitein niet zeggen: “Ik kom niet tussenbeide, want ik wil het principe van decentralisatie volgen”. Iedereen met gezond verstand zal dergelijk gedrag als onverantwoordelijk en absurd beschouwen, omdat het fatale gevolgen zal hebben. Als dat waar is voor het fysieke leven, hoeveel te meer dan is dit waar voor het bovennatuurlijke leven van de zielen! Als echter plaatselijke bisschoppen hun werk om het geloof, de discipline en de liturgie van de Kerk te bevorderen en te bewaren goed doen, dan moet de paus hun initiatieven op geen enkele manier beperken. In dat geval is er sprake van een gezonde decentralisatie. In “al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient” (Fil. 4, 8) wat de plaatselijke bisschop doet, moet de paus niet tussenbeide komen en hij moet hen met rust laten in deze gedecentraliseerde goede werken.

MH: In de context van de komende Amazonesynode 2019 is er een veelvuldige roep om toelating van de het gehuwde priesterschap in de Latijnse ritus. Wat is uw antwoord daarop. Moet en kan de katholieke Kerk deze weg bewandelen?

BAS: De Rooms katholieke Kerk moet niet in de val trappen van de “viri probati” of  overweldigd worden door het feit van het grote priestertekort in sommige streken. Een dergelijke reactie zou al te menselijk zijn en het zou een gebrek betekenen aan een bovennatuurlijke kijk op de Goddelijke Voorzienigheid, die de Kerk altijd leidt. Er zijn voldoende bewijzen van periodes en streken in de kerkgeschiedenis met een groot priestertekort waarbij het katholieke geloof van de leken niettemin bloeiend was vanwege de overdracht van het geloof in het gezin en vanwege het getuigenis van deugdzame ongehuwde personen. Ikzelf bracht mijn kindertijd in dergelijke omstandigheden door. Er was daar toen verschillende jaren geen priester.

Het wordt door documenten van de vroege Kerk genoegzaam aan getoond dat het priesterlijk celibaat of de priesterlijke onthouding van apostolische oorsprong is. In de apostolische tijd en in de tijd van de kerkvaders was het een overgeleverde en in het begin ongeschreven norm, dat de gewijde clericus vanaf het moment van de heilige wijding (diaken, priester en bisschop) in voortdurende seksuele onthouding moest leven ongeacht of hij gehuwd of alleenstaand was. Er zijn degelijke wetenschappelijke studies die dit feit bevestigen, bijv. de studies van Christian Cocchini, kardinaal Alfons Stickler, Stefan Heid e.a. De synode van Carthago (390) in de tijd van St.-Augustinus verklaarde dat blijvende onthouding is “wat de apostelen hebben geleerd en wat de oude Kerk in acht heeft genomen”. Paus Leo de Grote (+ 450), die gewetensvol de apostolische tradities onderhield, zei: “De wet van de onthouding is dezelfde voor de dienaars van het altaar, voor de bisschoppen en voor de priesters; toen zij nog leken of lectoren waren, konden zij vrijelijk een vrouw nemen en kinderen verwekken. Maar op het moment dat zij bovengenoemde rangen bereikt hebben, is het niet langer toegestaan wat vroeger wel was toegestaan”(Epist. ad Rusticum). Het categorisch verbod om een huwelijk te sluiten na de wijding was algemeen van kracht en is nog van kracht zelfs in de orthodoxe kerken waar het celibaat voor diocesane priesters is afgeschaft. Er is duidelijk bewijs van het feit dat de wet van de onthouding voor de hogere wijdingen van apostolische oorsprong is.
De eerste poging om te breken met de apostolische traditie van de onthoudingswet, dat is met de celibaatswet in bredere zin, vormt de wetgeving van de Byzantijnse kerk op de zogenaamde Tweede Synode van Trullo (691), die echter niet door Heilige Stoel is erkend. Volgens de Byzantijnse wetgeving moet de gehuwde priester seksuele onthouding in acht nemen in de nacht voordat hij het eucharistisch offer zal celebreren. Maar een echte katholieke priester die dag en nacht “een andere Christus” (alter Christus) is en die daarom dagelijks het heilige Offer zou moeten celebreren, moet altijd in volkomen onthouding leven. Dat is een logisch gevolg van de ontologische waardigheid van het nieuwtestamentische priesterschap en van de blijvende verbinding met het brengen van Christus’ offer op het altaar, anders dan het vleselijke erfelijke priesterschap van het oude testament waarbij seksuele onthouding verplicht was tijdens de periodieke dienst in de tempel. Juist met een verwijzing naar de priesters van het Oude Testament, aan wie het was toegestaan seksuele gemeenschap te hebben met hun vrouwen, ontsloeg de Synode van Trullo in 691 de gehuwde priesters van de onthoudingswet.
Als de geplande Amazonesynode in 2019 het gehuwde priesterschap zal invoeren, zelfs in afzonderlijke gevallen en in specifieke geografische gebieden, zal de dynamiek van een dergelijke vernieuwing – het verschijnsel van het gehuwde priesterschap – ongetwijfeld de hele Latijnse Kerk overspoelen. Wij hopen dat de Amazonesynode 2019 niet de invoering van de levenswijze van de oudtestamentische priesters zal bevorderen, een levensstijl die vreemd is aan Christus, de eeuwige Hogepriesters en aan de apostolische Traditie. Bovendien, er bestaat een een uitstekende roman van de Argentijnse schrijver Hugo Wat (pseudoniem van Gustavo Adolfo Martínez Zuviría, + 1962) met de titel “Lo que Dios ha unido” (wat God verbonden heeft) waarin de auteur op overtuigende en briljante wijze laat zien dat het katholieke priesterschap niet kan samengaan met een seksueel actief huwelijksleven.

MH: Op een onlangs gehouden conferentie in het Vaticaan werden er giften overhandigd aan de deelnemers die erg leken op de symbolen van de vrijmetselarij. Is dat een problematische ontwikkeling met het oog op het ongeschonden bewaren van de katholieke leer?

BAS: De genoemde “giften” die men beschreven en vertoond ziet op internet zijn openlijk heidens, esoterisch en maçoniek. Deze handelingen die plaats vonden in het Vaticaan waar de zetel van de waarheid (“cathedra veritatis”) van de heilige Petrus staat, kunnen ons herinneren aan de herhaaldelijke episodes in het oude testament als het volk van God en sommige van hun religieuze leiders waren afgevallen van de ware en enige eredienst van God. Want naar de mening van sommige religieuze leiders in het oude testament was het geoorloofd de eredienst aan de ware God te verbinden met afgodenverering. Echter God klaagde dit door de mond  van al zijn profeten aan als een gruweldaad. Er kan geen twijfel over bestaan of de boven genoemde heidense cultische vertoning in het Vaticaan dezelfde veroordelende stemmen van de al de bijbelse profeten over zich zou afroepen. Deze tragische periode in het Vaticaan laat enige gelijkenis zien met het volgende profetische visioen van de zalige Anna Catharina Emmerick: “Ik zag weer de huidige paus en de donkere kerk van zijn tijd in Rome. [….]  En zie, een heel bijzonder gezicht! Ieder lid van de gemeenschap had een afgodsbeeld voor zijn borst, en zette het voor hem en bad tot het beeld. Het was alsof iedereen  zijn geheime gedachten of begeerten tevoorschijn haalde onder de verschijningsvorm van een donkere wolk die, eenmaal buiten, een of andere definitieve vorm aannam. Het meest bijzondere ervan was de afgodsbeelden de plaats vulden; de kerk was vol afgodsbeelden al waren er maar weinig aanbidders. Toen de dienst voorbij was, ging ieders ‘god’ weer in zijn borst. De hele kerk  was in zwart gehuld en alles wat erin gebeurde was gehuld in een duistere glans” (visioen van 13 mie 1820).

MH:  Het Vaticaan heeft onlangs besloten veel liturgische gewaden en andere gewijde zaken te lenen aan een seculiere modetentoonstelling in New York die ook kleding voor een vrouwelijke priester, een vrouwelijk bisschop, een vrouwelijke kardinaal, en zelfs een vrouwelijke paus zal laten zien. Verwart een dergelijke beslissing van het Vaticaan niet het gewijde met het profane en is het ook niet een oorzaak van morele en spirituele verwarring van de gelovigen?

BAS: Een dergelijke actie is duidelijke een profanatie van heilige zaken die gezegend werden voor de exclusieve eredienst van de ware God, de Allerheiligste Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Zonder dat men het wil wordt men herinnerd aan de profanatie van de heilige voorwerpen in het oude testament door koning Nebukadnessar (vgl. Dan. 5, 2). Maar “God laat niet met zich spotten” (Gal. 6, 7). De volgende woorden van God door de mond van de profeet Daniël zijn heel toepasbaar op het incident van de profanatie van de liturgische kleding, waarmee door een Vaticaanse autoriteit werd ingestemd: “maar boven de Heer van de hemel hebt u zich willen verheffen: u hebt het vaatwerk van zijn tempel laten halen en u, uw rijksgroten, uw vrouwen en bijvrouwen hebben er wijn uit gedronken: goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen, die niet zien, niet horen en niet kennen, hebt u geëerd, terwijl u de God in wiens hand uw adem ligt en heel uw leven, niet hebt geprezen. Daarom heeft Hij die hand dit schrift laten schrijven. En dit staat er geschreven: Mene tekel ufarsin.” (Dan. 5, 23-25) Als de profeet Daniël nu zou leven en kennis zou krijgen van vermeld profaan gebruik van de gewijde gewaden, zou hij ongetwijfeld dezelfde woorden richten tot die mensen die hebben ingestemd met een dergelijke profanatie of eraan hebben meegewerkt.

MH: Onlangs was de wereld getuige van de zaak Alfie Evans waarin de staat besloot de beademing van een ziek kind te beëindigen. Aartsbisschop Paglia en enkele Britse bisschoppen prezen de staatom deze beslissing met de opmerking dat men geen buitensporige behandelingen moest toepassen. Wat is uw eigen antwoord in de zaak Alfie? Nam de staat de juiste beslissing, en gaat de seculiere wereld hier de juiste richting in? Wat moeten de principes zijn bij het omgaan met ernstig zieke kinderen of volwassenen?

BAS: De zaak Alfie is de top van een ijsberg. De ijsberg is de moderne anti-cultuur van het doden van ongeboren kinderen, een praktijk waarmee als een legale actie voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid begonnen is door de communistische en marxistische dictator Lenin in 1920. Sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw werd het legaal doden  van ongeboren kinderen langzamerhand als een georkestreerde actie verspreid in bijna alle Westerse landen. De wereldwijde ideologie van het doden van ongeboren baby’s is wezenlijk een ideologie van minachting voor de menselijkheid onder het cynische masker van de zogenaamde vrouwenrechten of de vage “reproductieve gezondheid”.

De abortusindustrie en zijn politieke ideologie heeft altijd categorisch de vergelijking van abortus met kindermoord afgewezen. Toch laat de zaak Alfie heel duidelijk aan de hele wereld zien dat de wereldwijde politieke, juridische en mediale macht die in staat is ongeborenen te vernietigen – het kwetsbare en zwakke ongeboren menselijke leven – een volgende kwaliteitsstap wil maken door de wettigheid van de kindermoord in te voeren door te beginnen met het legaal doden van een ernstig ziek kind. Met de zaak Alfie wilden zij een voorbeeld geven in die richting. Dat is inderdaad alleen maar een logisch gevolg van abortus, nu in combinatie met de euthanasie-ideologie. De zaak Alfie laat duidelijk zien wie wie is bij het onderwerp van de compromisloze verdediging van de onaantastbaarheid van het menselijk leven. Het bracht spontaan van alle hoeken van de aarde de verdedigers van het leven bijeen in een gezamenlijke gevechtslinie. Het was een kleine, maar nobele geestelijke legereenheid tegen een machtige samenzwering van een overeengekomen agenda van politici, van rechtbanken en – tot onze grote verbazing – van medici. Het leger voor het leven leek een nieuwe David tegenover de moderne Goliath van de kindermoord. Het leek alsof deze keer Goliath heeft gewonnen. Toch heeft in feite deze Goliath verloren. Want in de zaak Alfie hebben de partijen van de betrokken politici, rechtbanken en medici de morele geloofwaardigheid van onpartijdigheid, transparantie en gevoel voor rechtvaardigheid verloren. De winnaar was niettemin het kleine leger van Alfie. Want in de ogen van God en zelfs in de ogen van de geschiedenis zullen zij die de meest zwakke en kwetsbare menselijke wezens verdedigen – en dat zijn op de eerste plaats de ongeboren en ziek geboren kinderen – altijd de winnaars zijn. De politieke, juridische en medische samenzwering tegen het menselijk leven zal op een dag zeker ineenstorten, want het is inhumaan.
Op de zaak Alfie en op het kleine leger voor het leven rondom hem kan men deze woorden van Heilige Schrift toepassen: “Zij die onder tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich.”(ps. 126, 5)

Vertaling: C. Mennen pr