zondag 8 juli 2018

Een bijdrage aan de verwarring


Pastoor C. Mennen

Verwarring, ook in de Kerk, ontstaat als men, paus en bisschoppen, niet duidelijk zijn. Die verwarring is onnodig, als men de waarheid van het geloof zoals dat ons is overgeleverd, duidelijk verkondigt en uitlegt. Vandaag wordt vaak de kunst beoefend van mooi maar tamelijk vaag te spreken. De teksten spreken van begrip en compassie voor de mens in zijn realiteit. Waarheden en oordelen zijn in die context altijd niet pastoraal en van gisteren. Deze manier van spreken wordt door veel mensen als aangenaam ervaren maar nergens in het evangelie heb ik gemerkt dat dit de taal van Jezus is. De column van onze bisschop die hier in gedeelten volgt, zullen daarom de meeste mensen wel mooi en inspirerend vinden maar ik heb er zo mijn kanttekeningen bijgeplaatst.

Christen ben je altijd met andere christenen. Juist als rooms-katholieken weten wij ons geroepen in te voegen in het geloof van de gemeenschap. Wij staan op de schouders van vele generaties gelovigen die ons zijn voorgegaan. Zo ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Dat klopt. Als katholieken moeten wij ons invoegen in de gemeenschap. Dat we op de schouders van vele generaties gelovigen staan, is wel waar maar tegelijk theologisch gezien wat mager. We gebruiken voor de verbondenheid met en in de gemeenschap meestal de terminologie van de heilige Robertus Bellarminus (1542-1621). Deze zegt dat de volle gemeenschap met de katholieke Kerk bestaat in drie banden (vincula): het vinculum symbolicum (de band van hetzelfde geloof), het vinculum liturgicum (de band van dezelfde sacramenten) en het vinculum hierarchicum (de band van hetzelfde hiërarchische bestuur). Als we die drie banden onderhouden ontkomen wij aan een onvruchtbaar subjectivisme.

Tegelijk weten wij ook dat er altijd een gradatie in de betrokkenheid van gelovigen is geweest. Niet weinigen stemmen maar gedeeltelijk in met de leer van de Kerk. Vanzelfsprekend ziet iedere bisschop dat liever anders, maar het is wel de realiteit door de eeuwen heen. Kennis van de geschiedenis kan ons wijs maken. Anders gezegd: vanaf het begin van de Kerk valt er voortdurend een spanning tussen leer en leven te ontdekken.

Ook dit klopt. Maar we moeten wel onderscheid maken tussen de volgende drie dingen die in de column nogal door elkaar lopen:
1. Er is altijd een gradatie van betrokkenheid geweest van de gelovigen in die zin dat bijv. sommigen dagelijks deelnamen aan de liturgie en zich volop bij het leven van de Kerk betrokken voelden; en dat anderen precies deden wat voorgeschreven was; weer anderen waren op meerdere of mindere afstand betrokken. De pastorale reactie van de Kerk hierop was altijd: instemming met hen die zeer betrokken waren; aansporing aan de minimalisten om iets meer inspanning te doen; en aan degenen die onder de maat bleven, de aansporing zich te bekeren, te biechten en weer aan het volle leven van de Kerk deel te nemen.
2. In de column staat dat door de eeuwen heen niet weinigen maar gedeeltelijk instemmen met de leer van de Kerk. Dat is bij tijd en wijle zo geweest. Maar de Kerk heeft dit nooit als een gegeven aanvaard waarbij ze zich neer zou moeten leggen. Tegen afwijkingen van de leer in woord of geschrift heeft de Kerk zich altijd verzet. Het publiek uiten van een leer die ingaat tegen de leer van de Kerk en dit hardnekkig blijven doen, ook na een waarschuwing, is altijd niet alleen als een zware zonde maar ook als een kerkelijk misdrijf beschouwd en is zo is het nog: het misdrijf van ketterij waarop een automatische excommunicatie stond en staat. Dit afwijken van de kerkelijke leer is niet alleen iets dat een bisschop liever anders ziet, Hij wordt als herder van de kudde verwacht ertegen op te treden en te zorgen dat deze opvattingen de gemeenschap niet verzieken.
3. Dan constateert de column een spanning de eeuwen door tussen leer en leven. Dat zijn mensen die de leer wel aanvaarden, ook de leer op moreel terrein maar die er in zwakheid, in de praktijk van het leven feitelijk tegenin gaan. Hier was de pastorale praktijk van de Kerk altijd: de mensen oproepen zich te bekeren en weer volgens de evangelische leer te leven.

Gevoeligheid
Onze goede paus Franciscus lijkt een grote gevoeligheid voor deze realiteit te hebben. Falende en zondige mensen moet de Kerk niet afwijzen en afstoten, maar op een herderlijke wijze tegemoet treden. Voor de paus is de kerk als een ziekenhuis, waar mensen die gekwetst en gebutst langs de levensweg liggen, weer op adem kunnen komen.

Falende en zondige mensen mag de Kerk uiteraard niet afstoten. Die moet zij liefdevol en herderlijk tegemoet treden. Zij mag echter nooit de indruk wekken dat zij de zonde goedkeurt. In haar charitatieve organisaties moet zij iedereen hulp bieden en in iedere zondige en gewonde mens het gelaat van Christus herkennen. Maar dat wil niet zeggen dat de eerste oproep van Jezus in zijn openbare leven, moet verstommen of verzwakken. En die uitspraak is: “Bekeert u want het Rijk der hemelen is nabij”. (Mt. 4, 17; “Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”, Mc. 1, 15). Bij een herderlijke benadering van de “gekwetsten en gebutsten” moet zoals bij Jezus de oproep tot bekering aanwezig zijn zodat mensen echt “op adem kunnen komen” (de ware Geest kunnen inademen) in de Kerk.
In de manier waarop de bisschop (maar ook de paus) het formuleert, lijkt de Kerk vooral een sociaal veldhospitaal maar geen opvanghuis waar de ziel van zonden genezen wordt en weer in het evangelische spoor wordt gebracht. Althans de formuleringen in die trant mis ik voortdurend.

Nergens blijkt dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Maar wel wil hij rekening houden met de weerbarstigheid van ons bestaan. In de loop van de kerkgeschiedenis blijkt er een organische groei in het kerkelijk spreken. Pausen hebben bijvoorbeeld ooit opgeroepen tot kruistochten; de huidige Kerk denkt heel anders over oorlogen en het gebruik van geweld.

Er zijn er velen in de Kerk – en vaak niet de minste theologen – die constateren dat de paus de leer van de Kerk geweld aandoet. Of is het geen ingaan tegen de leer van de Kerk als je uitdrukkelijk het bestaan van de hel en de onsterfelijkheid van de ziel ontkent? Hij heeft dit weliswaar niet in een stuk van het leergezag geschreven maar hij heeft het wel herhaalde malen gezegd (tegen atheïstische vriend Scalfari) volgens publicaties waarvan het Vaticaan zich niet heeft gedistantieerd. Veel vaker nog heeft hij pastorale oplossingen gesuggereerd die onmogelijk zijn als je orthodoxe standpunten inneemt. Hij probeert pastoraal los te maken van de leer door de leer te handhaven en tegelijk praktijken toe te staan die die leer op losse schroeven zetten. Dit is zo bij de beruchte voetnoot in Amoris Laetitia maar ook nu weer bij een feitelijke goedkeuring van het intercommuniestandpunt van de Duitse bisschoppen. In beide gevallen zijn de voorwaarden zoals begeleiding door een priester en weg van onderscheiding feitelijk pastorale rookgordijnen die spoedig zullen verwaaien.
De vraag of de leer van de Kerk rond oorlog en geweld zoveel veranderd is, is maar de vraag. Volgens mij is de Kerk altijd tegen een aanvalsoorlog geweest. Alleen een verdedigingsoorlog was en is nog steeds gerechtvaardigd. Ook de kruistochten werden als een verdedigingsoorlog gezien.
Er is inderdaad een groei in het kerkelijke spreken maar dat kan alleen maar het ontvouwen van een reeds aanwezige waarheid betekenen. Het kan in ieder geval niet tegen een altijd geloofde waarheid ingaan. Het probleem is dat men nu door middel van wollig (ofwel pastoraal) spreken feitelijk tegen een altijd aanvaarde waarheid ingaat.

Gevoelige thema’s
Het lijkt mij vruchtbaar dat theologen en het leergezag – in het licht van de Heilige Schrift, de traditie en nieuwe wetenschappelijke inzichten – blijven nadenken over gevoelige thema’s als echtscheiding, homoseksualiteit, eucharistische gastvrijheid en intercommunie (het over en weer deelnemen aan elkaars eucharistie/avondmaal).

Een spannende vraag is ook hoeveel verscheidenheid er binnen de eenheid van de kerk kan zijn. Onze toekomst is open. Wie weet wat de Geest van God ons zal laten ontdekken.

De door de bisschop genoemde thema’s kunnen zoals alle thema’s van de leer verder worden uitgediept. Maar het is voor de katholieke Kerk ondenkbaar dat echtscheiding zou worden toegestaan, al is het om zeer pastorale redenen en in welomschreven gevallen. De uitspraken van Jezus hieromtrent zijn te duidelijk. Om echtscheiding mogelijk te maken moet al je toevlucht nemen tot de theologisch hoogstaande opmerking van de opperjezuïet, Arturo Sosa Abascal, (ook al een Zuid-Amerikaan), dat er niemand bij Jezus heeft gestaan met een typemachine, daarmee suggererend dat de evangelist deze uitspraak van Jezus niet goed begrepen of uit zijn duim gezogen heeft. Over homoseksualiteit zijn de Bijbelse uitspraken ondubbelzinnig en ook is de leer over de van God gegeven morele natuurwet stevig in de traditie verankerd. Toenemende wetenschappelijke inzichten zijn hier ook niet aan te voeren. Tot in de jaren zestig was het algemene inzicht van de wetenschap dat homoseksualiteit een abnormaliteit was. Ik heb wel gezien dat sindsdien de opvatting van wetenschappers over dit onderwerp veranderd is maar ik heb nooit wetenschappelijke onderbouwingen daarvan gezien. Ook omtrent intercommunie is het standpunt van de Kerk duidelijk. En als de protestanten hun visie over eucharistie en ambt en over het sacramentele karakter van de Kerk niet bijstellen, zal intercommunie een leugen zijn.
De spannende vraag die de bisschop zich stelt, is eigenlijk de vraag naar een richtingenkerk zoals die in het Anglicanisme en het protestantisme bestaat. Is dat ook in de katholieke Kerk mogelijk? Het antwoordt daarop is helder: nee, nooit! Op het ogenblik is zich weliswaar onder invloed van bepaalde theologen en de diffuse leiding van paus Franciscus een richtingenkerk aan het ontwikkelen, maar dat zal gelet op de kerkgeschiedenis alleen maar leiden tot scheidingen en scheuringen. Immers de katholieke Kerk is gebouwd op de waarheid en wordt geleid door de Geest van de waarheid. En die waarheid is ondubbelzinnig en helder. In die zin is de toekomst niet open. In de Kerk is alleen toekomst voor mensen die deze waarheid volledig aanvaarden. Aanvallen op de waarheid zijn in binnen de Kerk niet te dulden. Zo is het altijd geweest en zo zal het blijven.

Blijvende dialoog
Sommige gelovigen, ook hoge geestelijken, menen dat de paus ruimte laat voor verwarring. Maar is het niet beter te spreken over een pauselijke bereidheid tot blijvende dialoog? Een dergelijke houding komt niet voort uit modernisme of vrijzinnigheid, maar vanuit het hart van het evangelie. God is in Christus naast ons gaan staan. Op onze beurt zijn wij geroepen dicht bij onze naaste te blijven. Als Christus ons heeft aanvaard, zijn ook wij geroepen elkaar te aanvaarden. Het gaat om de bereidheid tot een blijvende dialoog, die niet inhoudt dat wij onze diepste overtuigingen verloochenen, maar wel dat wij openstaan voor de werking van de Heilige Geest in de ander.

Uiteindelijk leven wij allemaal van pure genade. Dat gelovig besef kan ons nederig, mild en bescheiden maken.

De paus laat niet alleen ruimte voor verwarring. Hij schept zelf verwarring. Ik heb nog niet geconstateerd dat hij bereid is tot dialoog. Mensen die vragen hebben rond zijn uitspraken, wenst hij niet eens te ontvangen. Integendeel hij scheldt ze bij de eerste de beste gelegenheid de huid vol. Hij is gewoon systematisch, dikwijls op een indirecte manier, bezig zijn agenda en de agenda van Kasper c.s. die hem gekozen hebben, ten uitvoer te brengen. Deze agenda is volledig in strijd, ondanks zijn lofprijzingen aan hun adres, met waar de laatste pausen in lijn met de traditie voor stonden. Het heeft wel degelijk te maken met modernisme in zoverre hij de praktijk laat prevaleren boven de leer; de waarheid van het evangelie ondergeschikt maakt aan de praktijk van de moderne wereld.
Ik wil niet uitsluiten dat de Heilige Geest werkt in de ander, evenmin als ik wil uitsluiten dat het niet altijd de Heilige Geest is die in de paus werkt. Voor de onderscheiding van de geesten ben ik, sinds de Heilige Stoel het laat afweten, aangewezen op de Traditie van de Kerk zoals die tot mij komt via de Conciliedocumenten en de continue lijn van pauselijke documenten. In dat licht zie ik vaak de Heilige Geest in de ander maar ik zie ook vaak een onheilige geest die werkt in de naaste.

Niet alleen
De Kerk staat voor geweldige uitdagingen. Gelukkig staan wij er niet alleen voor. Na de hemelvaart van de Heer worden de leerlingen met een missionaire opdracht uitgezonden. In kracht van de Pinkstergeest zijn wij geroepen in de wereld van vandaag gemeenschap van Christus te zijn.

In 2016 verscheen een fijnzinnig interviewboekje met paus Franciscus onder de titel De naam van God is barmhartigheid. De God die in Christus bij ons is gekomen, heeft een groot hart voor zondaars en bedelaars. Mensen die moreel falen of sociaal zijn gemarginaliseerd, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint. In kracht van de Pinkstergeest kan het komen tot levensvernieuwing en een nieuwe start. Als christenen zijn wij geroepen om Gods barmhartigheid te weerspiegelen in ons alledaagse leven.

“Halve waarheden zijn hele leugens”, zegt het spreekwoord en dat is ook het geval als je steeds weer en praktisch uitsluitend roept dat God barmhartigheid is. Natuurlijk is God barmhartigheid maar hij is ook rechtvaardigheid. Als je dat laatste uit het oog verliest, wordt God gezien als een soort lamme goedzak die overal begrip voor heeft. Ook volgens de bijbel wordt Gods barmhartigheid die inderdaad oneindig is, opgewekt door berouwvolle bekering van de kant van de mens. Zonder die bekering kan er geen sprake zijn van Gods barmhartigheid. De vader van de verloren stond met zijn barmhartigheid volkomen machteloos, zolang die zoon in den vreemde bleef. Pas als hij spijt heeften terugkeert, zich voor zijn vader vernedert, gaat de barmhartigheid werken.
Pas in het licht van zijn oneindige rechtvaardigheid is Gods barmhartigheid te begrijpen. Ik hoor daar de paus en de mensen die hem welgevallig willen zijn, weinig over praten.
“Mensen die moreel falen of sociaal gemarginaliseerd zijn, mogen weten dat God hen onvoorwaardelijk bemint.” Natuurlijk is dat waar. God bemint iedereen onvoorwaardelijk. Toch is “sociaal gemarginaliseerd” zijn van een totaal andere orde dan “moreel falen” ook in verband met de liefde van God. Bij sociaal gemarginaliseerden staat de liefde van God niets in de weg. Ze hebben zelfs een streepje voor. Maar zij die moreel falen hebben wel een obstakel opgeworpen tegen Gods liefde. Zij zullen moeite moeten doen om dat obstakel uit de weg te ruimen voordat die liefde van God in hun leven vruchtbaar kan worden.
Ik zie hier hetzelfde streven als breed in de postconciliaire Kerk tot uiting kwam in het vrij algemeen vertalen van “pro multis” in de consecratiewoorden met “voor allen”. Toch staat er in alle overgeleverde instellingsverhalen “pro multis”. De vertalers kunnen het niet verdragen dat Jezus zelf gezegd zou hebben dat zijn bloed in feite maar vergoten wordt voor velen en niet voor alle mensen. Dat dus ondanks de verlossingswil van Christus en Gods barmhartigheid niet allen gered worden

28 mei 2018
C. Mennen pr

Geen opmerkingen: