dinsdag 15 mei 2018

Paulus VI en de hervorming van de liturgie

Hij keurde het goed, maar hij hield er niet erg van.

door Sandro Magister

“De paus wil het.” Zo bracht mgr. Annibale Bugnini (1912-1982), de schepper van de liturgische hervorming die volgde op Vaticanum II, de deskundigen tot zwijgen telkens als zij zich verzetten tegen een van zijn meest onbezonnen vernieuwingen. Die paus was Paulus VI, die inderdaad aan niemand anders dan Bugnini de taak van secretaris en factotum van de raad voor de liturgiehervorming had toevertrouwd waarvan kardinaal Giacomo Lercaro het hoofd was. Bugnini had een vreselijke reputatie onder diverse leden van de raad. “Een schurk en een stroopsmeerder”, “een intrigant”, “zonder cultuur en oprechtheid”: zo wordt hij beschreven in de “Memoires”van de grote theoloog en liturgist Louis Bouyer (1913-2004), die bij Paulus VI hoge achting genoot. Deze paus stond uiteindelijk op het punt Bouyer tot kardinaal te maken en strafte Bugnini door hem als nuntius naar Teheran in ballingschap te sturen omdat hij besefte welke schade hij had aangericht en de onbetrouwbaarheid van dat “De paus wil het” waarmee de onverlaat zichzelf uit de wind hield.

Niettemin domineerden de erfgenamen van Bugnini de volgde decennia het terrein van de liturgie. Zijn persoonlijke secretaris, Piero Marini, was van 1983 tot 2007 de pauselijke ceremoniemeester. En nog onlangs zijn er boeken over Bugnini verschenen die zijn rol verheerlijken. Maar terug naar Paulus VI: hoe heeft hij het verloop van de liturgiehervorming ervaren? De verdedigers van de preconciliaire liturgie wijzen naar hem als de uiteindelijk verantwoordelijke voor alle vernieuwingen. In werkelijkheid was er tussen Paulus VI en der hervorming, die beetje bij beetje vorm kreeg, niet die affiniteit die de critici hem verwijten.

Integendeel Paulus VI heeft heel vaak geleden om wat hij zag gebeuren en wat niet strookte met zijn liturgische cultuur, zijn gevoeligheid, en de geest waarin hij zelf celebreerde. Er is onlangs een klein boekje gepubliceerd dat een nieuw licht laat schijnen op dit persoonlijke lijden van paus Giovanni Battista Montini met betrekking tot een liturgische hervorming waar hij het in velerlei opzicht niet mee eens was: ”Paolo VI. Una storia minima”, geredigeerd door Leonardo Sapienza, Edizioni Viverein, Monopoli, 2018.

In dit boek brengt mgr Sapienza – die sinds 2012 regent is van de prefectuur van de pauselijke huishouding – verschillende bladzijden van de “Dagboeken” bijeen, die verzameld zijn door de pauselijke ceremoniemeester onder Pualus VI, Virgilio Noè (1922-2011), die in 1991 kardinaal werd. Met deze “Dagboeken”, zette Noè een traditie voort die terugging tot het “Liber Notarum” van de Duitser Johannes Bruckhardt, ceremoniemeester van Alexander VI. In dit verslag van elke viering noteerde Noè ook alles wat Paulus VI tegen hem zei vóór en na de plechtigheid, ook over de vernieuwingen van de liturgische hervorming die hij op dart moment voor het eerst meemaakte.

Bijvoorbeeld: op 3 juni 1971 gaf Paulus VI het volgende commentaar na de Mis bij de herdenking van de dood van Johannes XXIII: “Hoe is het hemelsnaam mogelijk dat in de liturgie voor de overledenen niet meer gesproken wordt over zonde en verzoening? Er wordt totaal niet gesproken over het afsmeken van Gods barmhartigheid. Ook vanmorgen, al waren de teksten voor de Mis bij de (Vaticaanse) graven mooi, zij waren toch ontoereikend wat betreft het begrip zonde en het begrip barmhartigheid. En dat hebben we nodig!

En opnieuw in 1975 na weer een Mis tot gedachtenis van Johannes XXIII: “Zeker, in deze liturgie zijn de grote thema’s van dood, van oordeel afwezig….”

De verwijzing is niet expliciet maar Paulus VI klaagt hier onder andere over het verwijderen uit de liturgie voor de overledenen van de grandioze sequentie “Dies irae” die nu inderdaad niet langer in de Mis gereciteerd of gezongen wordt maar slechts verder leeft in concerten zoals gecomponeerd door Mozart, Verdi en andere musici.

Een andere keer, 10 april 1971, op het eind van de herziene Paaswake, merkte Paulus VI op: “Zeker, de nieuwe liturgie heeft de symboliek sterk vereenvoudigd. Maar de overdreven vereenvoudiging heeft elementen verwijderd die in het verleden nogal wat impact hadden op de geest van de gelovigen.”

En hij vroeg zijn ceremoniemeester: “Is deze liturgie van de Paaswake definitief?” Waarop Noè antwoordde: “Ja, heilige vader, de liturgische boeken zijn al gedrukt.” “Maar kunnen niet een paar dingen nog veranderd worden?”, bleef de paus aanhouden, duidelijk niet tevreden gesteld.

Een andere keer, 24 september 1972, antwoordde Paulus VI zijn persoonlijke secretaris, Pasquale Macchi, die klaagde over hoe lang het zingen van het “credo” duurde: “Maar er moeten bepaalde eilanden zijn waarop iedereen samen kan zijn: bijvoorbeeld het ‘credo’, het ‘pater noster’ in het gregoriaans…”

Nadat hij diverse keren gezien had bij het communie uitreiken in de St.-Pieter en op het St-Pietersplein, dat de geconsacreerde hostie door sommigen van hand tot hand werd doorgegeven, zei Paulus VI op 18 mei 1975: “Het eucharistische brood mag niet met een dergelijke nonchalance behandeld worden! In dit soort gevallen gedragen de gelovigen zich als…. ongelovigen!”

Vóór iedere Mis bleef Paulus VI, terwijl hij zich met de paramenten bekleedde, de gebeden reciteren die in het oude missaal waren voorgeschreven “cum sacerdos induitur sacerdotalibus paramentis”, zelfs toen ze waren afgeschaft. Op zekere dag, 24 september 1972, glimlachte hij en vroeg Noè: “Is het verboden om deze gebeden te bidden wanneer men de gewaden aantrekt?” “Nee, heilige vader, zij mogen desgewenst gebeden worden”, antwoordde de ceremoniemeester. En de paus: “Maar men kan deze gebeden in geen enkel boek meer vinden: zelfs de kaarten in de sacristie zijn er niet meer.. Ze zullen dus verloren gaan!”

Dit zijn korte opmerkingen, maar geven uitdrukking aan het liturgische gevoelen van paus Montini en zijn onbehagen met de hervorming waarvan hij zag dat die te ver ging, zoals Noè zelf in zijn “Dagboeken” noteert: “Men krijgt de indruk dat de paus niet volkomen tevreden is met wat in de liturgiehervorming tot stand is gebracht. […] Hij weet niet altijd alles wat er aan liturgische hervorming is doorgevoerd. Misschien zijn hem soms een paar dingen ontgaan op het moment van de voorbereiding en de goedkeuring."

Ook dit moet over hem in herinnering blijven als hij de komende herfst wordt heilig verklaard.

*

Bij wijze van documentatie volgen hier gebeden – in het Latijn en in de landstaal – die de priester placht te bidden terwijl hij zich met de paramenten bekleedde en die Paulus VI bleef bidden zelfs na hun verwijdering uit de huidige liturgische boeken.

Cum lavat manus dicat:
Da, Domine virtutem manibus meis ad abstergendam omnem maculam: ut sine pollutione mentis et corporis valeam tibi servire.

Ad amictum, dum ponitur super caput, dicat:
Impone, Domine, capiti meo galeam salutis, ad expugnandos diabolicos incursus.

Ad albam, cum ea iduitur:
Dealba me, Domine, et munda cor meum; ut, in sanguine Agni dealbatus, gaudii prefruat sempiternis.

Ad cinguum, dum se cingit :
Praecinge me, Domine, cingulo puritatis, et extingue lumbis meis humorem libidinis ; ut maneat in me virtus continentiae et castitatis.

Ad manipulum, dum imponitur bracchio sinistro:
Merear, Domine, portare manipulum fletus et doloris; ut cum exsultatione recipiam mercedem laboris.

Ad stolam, dum imponitur collo:
Redde mihi, Domine, stolam immortalitatis, quam perdidi in praevaricatione primi parentis: et, quamvis indignus accedo ad tuum sacrum mysterium, merear tamen gaudium sempiternum.

Ad casulam, cum assumitur:
Domine, qui dixisti: iugum meum suave est, et onus meum leve: fac, ut istud portare sic valeam, quod consequar tuam gratiam. Amen.

Wanneer hij zijn handen wast, moet hij zeggen
Geef, Heer, kracht aan mij handen opdat iedere smet wordt afgewist: zodat ik U, zuiver naar lichaam en geest kan dienen.

Als hij de amict op zijn hoofd legt moet hij zeggen :
Plaats, Heer, op mijn hoof de helm van het heil om alle aanvallen van de duivel te kunnen weerstaan.

Als hij de albe aantrekt:
Was mij wit, Heer, en reinig mijn hart; opdat wij, wit gewassen in het bloed van het Lam, de eeuwige vreugde mogen genieten.

Wanneer hij zijn singel omdoet:
Omgord mij, Heer, met de gordel van de zuiverheid en doof in mijn lendenen de gloed van de begeerte, zodat in mij blijft de deugd van de onthouding ende kuisheid.

Wanneer hij de manipel aan zijn linkerarm doet:
Moge ik de manipel van droefheid en pijn dragen, opdat ik met vreugde het loon van mijn zwoegen mag ontvangen.

Wanneer hij de stola om zijn hals doet:
Geef mij, Heer, weer het kleed van de onsterfelijkheid dat ik verloren heb door de ontrouw van mijn voorvader: en geef dat ik, hoewel ik onwaardig tot uw heilig mysterie nader, toch de eeuwige vreugde mag verwerven.

Wanneer hij zich met het kazuifel bekleedt:
Heer, die gezegd hebt: mijn juk is zacht en mijn last is licht: maak dat ik dit zo mag dragen dat dat ik uw genade mag bereiken. Amen.

1 opmerking:

Anoniem zei

Het klinkt een beetje als iemand die zijn eigen huis in brand steekt en dan vervolgens gaat klagen dat zijn huis is afgebrand. Een totaal ongeloofwaardig verhaal.