dinsdag 1 december 2015

Lezing van pastoor Guy Pagès over de bekering van Moslims

Over de evangelisatie van moslims

1. Typologie van de islamitische ziel

In de citaten die ik geef is het eerste cijfer die van de Soera, de tweede het vers.

A. De gelijkenis van de zaaier:

De evangelisatie van moslims is in principe gemakkelijker dan die van atheïsten en agnosten, omdat moslims al weten dat God bestaat, dat Hij de schepper is, en dat ze aan hem rekenschap af moeten leggen. Al zijn ze bereid om offers voor Hem te brengen, ze zijn doodsbang om naar de hel te gaan (Nostra Ætate, n˚3). Echter, sommige individuele elementen van de islam maken het evangeliseren van moslims erg moeilijk. U kent de gelijkenis van de zaaier en het zaad dat soms op de weg valt, soms op stenige grond, soms in distels en doornen die het groeiende zaad verstikken zodat het geen vrucht kan dragen, en soms in goede, geploegde grond waar het vrucht draagt (Lucas 8.4-15). Welnu, de derde soort grond die Jezus beschrijft, de aarde vol van distels en doornen, is het typische beeld van de islamitische ziel. Dat is, een ziel die vanaf de wieg al gevoed is met allerlei laster, vooroordelen en leugens over het christelijke geloof. En zoals het zinloos is tussen de distels en doornen te zaaien, zo is het zinloos een islamitische ziel te evangeliseren zonder eerst de vooroordelen, de laster en de leugens over het katholieke geloof waarmee zij gevuld is eruit te scheuren. Dit beeld moeten we in gedachten houden om het werk te begrijpen, dat gedaan moet worden voordat het evangelie aan een islamitische ziel verkondigt kan worden. Alvorens hem Christus te verkondigen, moet eerst de islam in hem vernietigd worden, wat precies een van de ergste antichristelijke overtuigingen is die er zijn.

Feitelijk rechtvaardigt de islam zijn bestaan op grond dat het christendom gecorrumpeerd is, en de Bijbel vervalst (maar de moslims weten uiteraard niet wanneer, waar of door wie), zodat Allah gedwongen was opnieuw de unieke openbaring aan Mohammed te geven, dezelfde die al door alle mensen was ontvangen, zelfs voor hun schepping (Koran 7.172), een openbaring waaraan allen zouden hebben toegezegd moslims te worden (Koran 30.30), zoals gestipuleerd in artikel 10 van de Verklaring van de rechten van de mens in de islam, uitgebracht in 1990 te Caïro door de OIC: « De islam is de natuurlijke religie van de mens ». Voor een moslim is er geen menselijke natuur waarnaar men kan verwijzen, en kan men die niet kennen door de rede: de mens en zijn bezit zijn niet meer dan wat de Koran zegt. De enige wet, de enige waarheid is de Koran. Dit impliceert dat een andere religie dat de islam belijden, of zich daartoe bekeren, tegennatuurlijk is, pervers, en bestreden moet worden… tot de dood! Omdat de islam de enige ware religie is (Koran 3.19), die over alle andere moet heersen (Koran 2.193), kunnen zij die niet islamitisch zijn louter en alleen perverse en vervloekte wezens zijn (Koran 3.10) en dienen moslims hen voortdurend te bestrijden (Koran 9.124) en hen blijvend te verwoesten (Koran 2.191). In deze strijd tegen het kwaad, dat is, tegen alles dat niet islamitisch is (Koran 2.216), zijn christenen speciaal doelwit vanwege hun schuld aan associationisme, de enige zonde die zo ernstig is dat Allah hem niet kan vergeven (4.48,116); de zonde van het geloven in de Drieëenheid, die in de Koran niet bestaat uit de Vader, de Zoon en de H. Geest maar uit God, Jezus en Maria (Koran 5.116). De christenen zijn dus het “slechtste van de schepping” (Koran 98.6), “vuiler dan beesten” (Koran 8.22), en gaan allemaal naar de hel (Koran 5.72). Dit laat de moeilijkheid zien die de islam vormt tegen evangelisering, en toont haar antichristelijke natuur.

I.            De speciale moeilijkheden van de evangelisering van moslims gesymboliseerd door drie gesloten deuren

a)  De eerste gesloten deur is die van angst, het favoriete wapen van Satan (en niet alleen in de islam) om zielen te onderwerpen. Angst voor Allah die mensen geschapen heeft voor de hel (Koran 7.179). Wat de mens ook doet, zijn bestemming staat vast. “Mensen hebben geen keus” (Koran 28.68). De uitdrukking “maktoeb! Het staat geschreven!” drukt de befaamde houding van berusting uit, typerend voor de islamitische ziel, die zich niet kan voorstellen dat de dingen anders zou kunnen zijn dan ze zijn. Niet alleen kan niemand tegen de wil van Allah ingaan, maar ophouden moslim te zijn, niet zich niet langer onderwerpen aan de angst voor Allah; zo iemand valt noodzakelijk onder hen die Allah zo vaak in de Koran beschrijft als bestemd voor de verfijnde en eeuwige martelingen die hij voor hen heeft voorbereid. Dus de angst voor Allah is, de zo machtige god, maar tegelijkertijd wreed en onbegrijpelijk (Koran 112.2), maar ook angst voor de andere gelovigen van de gemeenschap, die de plicht hebben aardse wraak uit te oefenen op degenen die hem ongehoorzaam zijn. Zo staat op het verlaten van de islam de doodstraf, en de dichtstbijzijnde verwanten valt de plicht die te voltrekken in de eerste plaats toe (Koran 4.89; 8.12-17)… Voor sommigen, met name de Islamitische Staat (IS), staat alleen al het niet bidden gelijk aan een afwijzing van het geloof, geloofsafval, waarop dan ook de doodstraf staat. De moslimgemeenschap is dan voor elk van zijn leden “de beste gemeenschap” (Koran 3.110) – en aangezien Allah het zegt, moet het waar zijn! In deze gemeenschap heeft iedereen de plicht erop toe te zien dat Allah gehoorzaamd wordt (Koran 2.143; 4.75; 5.2), zodat men bij tijd en wijle zichzelf legitiem met het ambt van advocaat, rechter en beul bekleed kan voelen, zoals de man die zijn vrouw dient te slaan en te isoleren tot de dood erop volgt als hij dat goed acht (Koran 4.34)…

b)   De tweede gesloten deur is die van onwetendheid, sluw volgehouden op grond van het feit dat Allah alles weet, en dat de Koran zijn Woord is, en dus alle nodige kennis geeft. Allah heeft gezegd: “Wij hebben niets nagelaten in de Koran” (Koran 6.38), die een “aanzet is tot alle onderwerpen en uitleg van alles” (Koran 7.145), “alles is er geschreven” (Koran 22.70). En aangezien in de Koran “waarover er geen twijfel bestaat” (Koran 2.1), alles “zonder kromheid” (Koran 18.1) uiteengezet wordt, kan degene die er vragen bij durft te stellen niet anders dan “afwijkend” zijn, zoekend naar “ondermijning” (Koran 3.7), en dus de straf voor openlijke zondaars verdient… afschrikwekkend genoeg dat weinigen dat wagen. Het tegenovergestelde van de christen die, met de H. Augustinus, begrijpt om te geloven, en gelooft om te begrijpen. Voor wie het geloof en de rede de twee vleugels zijn die zijn ziel opheffen naar het overpeinzen van de waarheid, is voor de moslim het geloof des te oprechter en puurder, naarmate het meer van de hulp van de rede is ontdaan. Allah wil niet dat erover wordt nagedacht: “Stel geen vragen over dingen die, als ze uitgelegd zouden worden, u alleen maar ongeluk zouden brengen” (Koran 5.101). Allah hekelt degenen die iets anders dan zijn eigen leringen gebruiken (Koran 45.6). Hij verbiedt het nadenken over de Koran op zo’n wijze (Koran 5.101) dat zelfs het woord “rede” niet voorkomt in de Koran. Zoals de moslim zich dient te onthouden van nadenken over wat Allah geopenbaard heeft, zo is hij verplicht de Koran uit het hoofd te leren, waaronder het reciteren, “gebed” genaamd, dat dient als zelfindoctrinatie… “Alles in de Koran is waar, en alles buiten de Koran is vals”. Dat is het basisprincipe van islamitische wetenschap. Dit laat de moeilijkheid zien voor een moslimziel om zich open te stellen voor het woord van een niet-moslim… laat staan dat van een christen, wiens geloof door de islam is vervangen. Voor een moslim is alles dat een christen kan zeggen per definitie verkeerd en nietig. De sacraliteit van onwetendheid, verwekt door de sacraliteit van de Koran, verzekerd de sacraliteit van de macht uitgeoefend in naam van Allah. Vragen stellen is niet alleen blijk van twijfel over de goddelijke perfectie, maar daagt die uit, en daarmee de eerbaarheid van de eigen familie, stam, en de gehele moslimgemeenschap… een verschrikkelijke belediging (5.33)!

c)  De derde gesloten deur is die van de haat. Waar Christus aan de wereld de boodschap gebracht heeft dat God liefde is (1 Joh. 4.8-16), ons opdragend zelfs onze vijanden lief te hebben (Mat. 5.44), en het voorbeeld te volgen van God, die “die zijn zon doet opgaan over slechten en goeden, en het regenen laat over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mat. 5.45), wijst de islam, die na Christus komt, niet alleen het geloof in Christus af (1 Joh. 2.22-23; 4.2-4), maar ook liefde. Dat is waarom, in navolging van een god die niet de niet-moslims liefheeft (Koran 3.32), maar hen liefheeft die zover gaan ze te doden (Koran 61.4), heeft elke moslim de jihad als plicht (Koran 9.124), de altijddurende alomvattende strijd tegen alles dat niet islamitisch is (Koran 2.193). Allah heeft zo’n hekel aan de christenen dat de Koran hem laat zeggen: “Moge Allah de christenen doden!” (Koran 9.30), terwijl hij tot moslims zegt: “Tussen ons en u is er vijandigheid en haat voor altijd, tot u in Allah alleen gelooft!” (Koran 60.4). De moslims mogen geen relaties met niet-moslims onderhouden (Koran 5.51), zo niet worden ze onrein, zoals Asia Bibi geleerd heeft -  de christenen zijn “niets dan onrein” (Koran 9.28). Tevens  begint elk islamitisch gebed met de eerste soera, die de haat tegen de christenen en joden inent, meerdere keren per dag… Dat geeft nogmaals aan hoe moeilijk het voor moslimziel is om zich voor het woord van een niet-moslim te openen, laat staan een christen…
Er zijn nog vele andere obstakels om een moslimziel te evangeliseren. Hier volgen er enkele:
  1. De islam staat moslims toe, volgens het principe van takiyya, te bedriegen, te verbergen en te liegen, als dat de belangen van de islam het beste dient (Koran 3.28).  “De Koran staat de moslim toe de waarheid tegen een christen te verbergen, en te spreken en te handelen in strijd met wat hij denkt en gelooft.” (Bisschop Beylouni, Aartsbisschop van Antiochië, Synode voor het Midden-Oosten, Rome, 2010);
  2. Woorden hebben niet noodzakelijk dezelfde betekenis voor hen en voor ons, zoals de personen in de Koran, die wel Bijbelse namen dragen maar niet de personen uit de Bijbel zijn;
  3. Het geloof dat de islam de bevestiging van de “voorgaande” religies is, maakt het onnodig om in die religies geïnteresseerd te zijn;
  4. De identificatie van de veelzijdige decadentie van het westen met het christendom.
  1. Enkele te vermijden fouten:
1.   Het met elkaar identificeren van islam en moslim, dogma en persoon. Onze ware vijanden zijn slechts de demonen (Ef. 6.12).
2.   Angst hebben. Cf. Luc. 12.4-8; “Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen; maar wie om Mij het leven verliest, zal het vinden”…
3.   Met New Age geloven in het bestaan van een “subliem punt”, de hoogste plaats van religie, die ze alle overstijgt, zodat de vrede van de mensheid afhangt van het vernietigen van alle religies, om hen alle op dat unieke punt te verenigen, gemeenschappelijk in alle religies (2 Cor. 6.14-18).  Dit is “binnentreden in de duisternis door de toelating van tegengestelden”, voorbijgaand aan het principe van de non-contradictie de “samenvalling van tegengestelden” aan te nemen. Voor de New Age is de christelijke waarheid verborgen in de Koran, en is de islam niets anders dan oorspronkelijk christendom hersteld. Dit gezichtspunt, puur theoretisch, verlaat het geschiedsplan om verstrikt te raken in islamitische non-geschiedenis. Zij legt een ontlichaamde theologie op die de kloof tussen bekering tot de levende God en het onderschrijven van een theologisch schema ontkent. Daarmee ontkent zij de unieke en ware religie die “subsisteert in de Katholieke en Apostolische Kerk” (Dignitatis Humanae, n˚1);
4.   Geloven dat moslims en christenen dezelfde oorsprong als zonen Abrahams delen. Nu, Jezus zei dat degenen die niet in zijn goddelijkheid geloven niet de zonen Abrahams of Gods zijn maar des duivels (Joh. 8:44). Waar de moslims vleselijke afstamming van Abraham door Ismaël claimen, een figuur van zonde (Gal. 4.21-31; Joh. 1.13; 8.39), heeft de christen aanspraak op een geestelijk zoonschap, aangekondigd met de wonderbaarlijke ontvangenis van Isaac, dus hier hebben we een onwrikbare tegenstelling (Ef. 4.22-24; Gal. 5.17; Col. 3.9-10), uitgedrukt door Sara die verzoekt dat de slavin en dier zoon van haar weggestuurd worden (Gen. 21.10). Deze visie tracht de islam te voorzien van de legitimiteit van de Hebreeeuws-christelijke openbaring, waaraan de islam zich probeert vast te hechten.
5.   Geloven dat christenen en moslims het monotheïsme gemeenschappelijk hebben. Christenen zouden simpelweg de fantasie hebben om het dogma van de Drieëenheid toe te voegen aan die van de Goddelijke Eenheid, die de noodzaak van de islam om deze afwijking te corrigeren zou verklaren. Maar het dogma van de Drieëenheid is geen toevoeging aan de Goddelijke eenheid maar drukt er de essentie van uit! In feite, de Drieëenheid van personen, want elk van hen ís de goddelijke essentie zelf. Daarom wijst de islam, met het ontkennen van het trinitarische dogma, de essentie van het monotheïsme zelf af (cf. Jac. 2.19). Suggereren dat wij met moslims dezelfde monotheïstische conceptie delen komt daarom neer op het ontkennen van het christelijke geloof en huwen met de islam;
6.   Geloven dat christendom en islam de ‘geloven van het boek’ zijn, is het ontkennen van het christelijk leven, dat niet gebaseerd is op geloof in een boek dat uit de hemel kwam, maar op geloof in een levend persoon, Jezus Christus;
7.   Het spelen van de rol van hulpje van de islam: suggereren dat christenen en moslims dezelfde God hebben, dat de Koran een woord van God is, dat Mohammed een profeet was, etc.;
8.   Het geven van een christelijke zin aan islamitische teksten, of een centrale plek toekennen aan marginale aspecten van de islam, zoals het soefisme, om de islam op christendom te laten lijken;
9.   Het voorstellen van de Incarnatie als monofysitisch, dus zeggen dat God in een mens is veranderd, daarmee een half-menselijk, half-goddelijk monster wordend (onacceptabel voor het gevoel voor goddelijke transcendentie);
10.       Het maken van het Kruis tot de volvoering van het christelijke leven (falen: onacceptabel);
11.       Het minachten van het gebruik van militaire macht;
12.       Denken dat proberen te overtuigen tegengesteld is aan de godsdienstvrijheid (Hand. 9.27; 18.4,26);
13.       Vergeten te verklaren dat we islam en moslim, doctrine en persoon van elkaar onderscheiden.
  1. De gewone wapens van de apostel (cf. Ef. 6.12-18):
1.   De liefde voor de moslims, die de islam tot onze vijanden heeft gemaakt (Mat. 5.44), en wier komst door Jezus voorspeld was in de gelijkenis van het kaf (Mat. 13.24-30; 36-43) en in Joh. 16.2, een liefde die hun het beste wenst, dat is hun bekering en redding;
2.   Gebed, in het bijzonder het Angelus, dat ons speciaal door de Kerk gegeven is om van God de bekering van moslims en de vrede te vragen.
3.   Vasten, want er zijn duivels zo boos dat ze niet verjaagd kunnen worden dan door bidden en vasten (Mat. 17.21), en de islam is zeker één van hen.
4.   Het overpeinzen van het Woord van God, dat “levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard” (Heb. 4.12);
5.   Maar ik stel toch een specifieke techniek om moslims te evangeliseren voor, bevestigd door het getuigenis van verscheidene moslimbekeerlingen: hen vragen te stellen om hen aan het denken te zetten over de redenen die zij hebben moslim te zijn, de rede is namelijk het enige dat we met hen gemeenschappelijk hebben, en die ons toestaat de waarheid te kennen. Zeker, het christelijke geloof behelst waarheden die boven onze rede staan, maar als daarom de rationele argumenten niet kunnen overtuigen, kunnen ze niettemin de islamitische tegenwerpingen en argumenten weerleggen. Het is waar dat voor een moslim nadenken over de rechtmatigheid van zijn geloof gelijk staat aan ongeloof, maar gelukkig zijn niet alle moslims zo geïslamiseerd dat ze weigeren na te denken over hun religie. Hierom moeten we geen tijd meer verliezen, zelfs als het al zo laat is. Zoals uw landgenote van Somalische afkomst, levend onder een fatwa die haar ter dood veroordeelt, Ayaan Hirsi Ali, gezegd heeft: “Vrij spreken is het enige middel om de gesel die de islam is uit te dagen, en vooraleerst voor de moslims. Hoe meer we dat doen, en hoe meer we hen in staat stellen na te denken over hun religie, wat in de islam taboe is. 1,2 miljard moslims kunnen niets dan één waarheid aanvaarden, die welke de profeet toelaat” (L’Express, 16.05.2005). De H. Thomas van Aquino onderwees: “de waarheid toont zich nooit beter dan als zij zich teweerstelt tegen hen die haar tegenspreken en hun dwalingen weerlegt” Maar helaas wil het merendeel van de christenen, doordrenkt van relativisme, niet langer “de zoete geur van Christus” zijn, “zowel bij hen die worden gered, als bij hen die ten verderve gaan: voor den één een doodslucht ten dode, voor den ander een levensgeur ten leven” (2 Cor. 2.16)…
Jammer genoeg heb ik geen tijd om de “1501 vragen aan moslims” te laten zien, die ik in mijn boek “De islam ondervragen” geïdentificeerd heb, maar ik hoop dat iemand mijn boek in uw taal zou willen vertalen… Hier volgen enkele van de vragen:

  1. In soera 3.7 zegt Allah: “Niemand buiten Allah kent de interpretatie van de Koran”.
1e  vraag: Waarom spreekt Allah als niemand buiten hijzelf begrijpt wat hij zegt?
2e vraag: Hoe en waarom dan de Koran citeren?
3e vraag: Als niemand buiten Allah de interpretatie van de Koran kent, zijn al de wijzen van de islam, die claimen dat ze weten wat islam is, niets anders dan bedriegers, en Allah een afgod die zij laten spreken?
  1. De Koran erkent dat Jezus het Woord van God is (Koran 4.171; 6.73), en dat alles door het Woord  van God is gemaakt (Koran 6.73; 16.40). Maar als alles door het woord van God geschapen is, dat Jezus is, dan is Jezus zelf door niets geschapen… of door zichzelf. Daaruit volgt dat de Koran zegt dat Jezus God is, want is het niet passend voor God dat Hij van niemand afhankelijk is voor zijn bestaan?
  2. Waarom zegt Allah in soera 3.55 dat tot de dag van de opstanding zij die Jezus volgen gered zullen worden, en niet zij die Mohammed volgen?
  3. Waarom is het Jezus, en niet Mohammed, die moet terugkomen voor het laatste oordeel (Koran 3.49)?
  4. Waarom is Jezus in de hemel (Koran 4.158), en niet Mohammed?
  5. Is het beter een volgeling te zijn van Jezus, die het “Wonder van God” is (Koran 3.49), de “Waarheid” (6.73), het “Woord van God” (19.34), “de Messias” (4.171), zonder zonde (19.19), die wonderen doet (3.49), die reeds in de hemel is (4.158), vanwaar Hij zal komen om te oordelen (3.49), of is het beter een zondaar te volgen, die gestorven is, zichzelf niet kon redden, en het oordeel afwacht (Koran 5.266)?
  6. En hier de belangrijkste vraag die ik altijd stel na zo’n kort gesprek: “Wie kan er na Christus komen, zo niet de Antichrist?”.
Ter conclusie:
De H. Bernadette werd in 1870 gevraagd of zij de komst van de Pruisen vreesde. Zij antwoordde: “Ik ben alleen bevreesd voor de slechte katholieken”. Dit zijn waarlijk de ergste vijanden van Jezus Christus! Want “De grootste kracht van het kwaden, is de lafheid en zwakheid van de goeden, en alle pit van de heerschappij van Satan ligt in de zwakheid van de christenen”. (H. Pius X) Het is belangrijk dat elke christen zich nu verantwoordelijk voelt voor de bekering van zijn moslimbuurman. Als we de moslims niet kerstenen, zullen ze ons niet alleen op de Oordeelsdag beschuldigen door ons zwijgen aan hun verdoemenis te hebben bijgedragen, maar verspelen we ook onze juiste kans op redding, en die van onze natiën. Feitelijk is het heil gelinkt aan de evangelisatie: “Welnu, wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jezus de Heer is, en gelooft met uw hart, dat God hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered; want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijd met de mond ter redding”. (Rom. 10.9-10; 1 Cor. 9.23; Phil. 1.14; 1 P. 2.9-10).
Ik dank u.

Geen opmerkingen: