zondag 6 mei 2018

Het priesterschap (2)


Uit: Maria Valtorta, De Geschriften 1943
Uitg. St. Maria Valtorta
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

10 juni 1943
Jezus zegt:
“Bid, offer en lijd veel voor Mijn priesters. Veel zout is smakeloos geworden (Mt. 5,1) en daardoor lijden de zielen, omdat ze de smaak van Mij en Mijn Leer verliezen.
Het is enige tijd geleden dat Ik je dit heb verteld, maar jij wilt dit niet horen. En je wilt dit niet opschrijven. Je kruipt in je schelp terug. Ik begrijp de redenen. Maar anderen, vóór jou, hebben erover gesproken, door Mij geïnspireerd, en dat waren heiligen. Het is nutteloos de ogen en de oren te willen sluiten om niet te zien en niet te horen. De waarheid roept ook in het stilzwijgen. Ze schreeuwt het uit in daden, die de machtigste zijn van de woorden.

Waarom herhaal je niet langer de gebeden van Maria Magdalena de 'Pazzi'? Een tijd geleden zei je ze zonder ophouden. Waarom offer je niet een deel van je dagelijkse lijden op voor heel het Priesterschap? Je bidt en lijdt veel voor Mijn Vicaris. Dat is goed. Je bidt en lijdt voor enkele gewijde mannen en vrouwen, die zich in je gebed hebben aanbevolen, of voor degenen tegenover wie jij een speciale plicht tot dankbaarheid hebt. Dat is goed, maar niet voldoende. En wat doe je voor de anderen? Je hebt het voornemen gemaakt om op woensdag te lijden voor de clerus. Dat is niet voldoende. Het is noodzakelijk dat je alle dagen bidt voor Mijn priesters en dat je een deel van je lijden voor hen offert. Word het nooit moe voor hén te bidden die het meest verantwoordelijk zijn voor het geestelijk leven van de Katholieken.
Als het voor een leek voldoende is voor tien te werken om geen ergernis te geven, Mijn priesters moeten dat voor honderd, voor duizend doen. Zij zouden gelijk moeten zijn aan hun Meester in zuiverheid, naastenliefde, onthechting aan de dingen van de wereld, nederigheid en edelmoedigheid. In plaats daarvan heerst dezelfde verslapping van christelijk leven die er bij de leken is, onder Mijn priesters en in het algemeen onder alle door speciale gelofte gewijden personen. Maar over hen zal Ik later spreken (15 juni 1943).
Nu spreek Ik over de priesters, over hen die de verheven eer hebben Mijn Offer op het altaar te vereeuwigen, Mij aan te raken en Mijn Evangelie te herhalen.
Zij zouden vlammen moeten zijn. In plaats daarvan zijn ze rook. Ze doen met moeite wat ze moeten doen. Ze beminnen elkaar niet en ze beminnen jullie niet als herders, die bereid zijn zichzelf helemaal te geven, zelfs tot aan het offer van hun leven voor hun schapen. Ze komen naar Mijn altaar met een hart vol aardse zorgen. Ze consacreren Mij met hun geest elders, en zelfs Mijn communie ontvlamt hen niet in hun geest die naastenliefde, die levend moet zijn in allen, maar heel bijzonder vurig in Mijn priesters.
Als Ik denk aan de diakens, aan de priesters van de Kerk van de catacomben, en ze vergelijk met die van nu, voel Ik een oneindig medelijden met jullie, een menigte die zonder of met te weinig voedsel van Mijn Woord blijft.
Die diakens, die priesters streden tegen een hele, kwaadwillige maatschappij, ze hadden de hele bestaande macht tegen zich. Die diakens, die priesters moesten hun ambt uitoefenen temidden van duizenden moeilijkheden; de geringste onvoorzichtige beweging kon hen in handen van de tirannen doen vallen en tot de marteldood leiden. En toch, hoeveel trouw, hoeveel liefde, hoeveel kuisheid, hoeveel heldendom in hen! Zij hebben met hun bloed en hun liefde de wordende Kerk verstevigd en van hun hart een altaar gemaakt.
Nu schitteren zij in het hemelse Jeruzalem als evenzovele eeuwige altaren waarop Ik, het Lam, rust en Mij verheug in hen, Mijn onverschrokken belijders, de zuiveren die in staat waren de smerigheid van het heidendom van zich af te wassen, die ze had verzadigd gedurende jaren en jaren vóór hun bekering tot het Geloof, dat zijn drek ook na hun bekering op hen spatte als een oceaan van modder tegen onwrikbare klippen.
Zij hadden zich gereinigd in Mijn Bloed en waren tot Mij gekomen met witte stola's, waarop als ornament hun edelmoedig bloed en hun onstuimige naastenliefde was. Ze hadden geen uitwendige kleding noch materiële tekenen van hun priesterlijke strijdbaarheid. Maar ze waren priesters in hart en ziel.
Nu is er het uiterlijk van de kleding, maar hun hart is niet langer van Mij.
Ik heb medelijden met jullie, kudden zonder herders. Om die reden houd Ik ook Mijn bliksems in: want Ik heb medelijden. Ik weet dat veel van wat jullie zijn komt, omdat jullie niet worden gesteund.
Er zijn veel te weinig echt priesters, die zichzelf breken om zich op te offeren voor hun kinderen! Het was nooit zozeer als nu noodzakelijk om de Heer van de oogst te bidden om ware arbeiders te zenden voor Zijn oogst, die bedorven te gronde gaat, omdat het aantal ware, onvermoeibare arbeiders, op wie Mijn ogen met oneindige en dankbare zegeningen en liefde rusten, niet voldoende is.
Kon Ik maar tot al Mijn priesters zeggen: 'Komt, goede en trouwe dienaren, treedt binnen in de vreugde van jullie Heer!' (Mt. 25: 21-23)
Bidt voor de seculiere en conventuele clerus.
De dag waarop er in de wereld geen echt priesterlijke priesters meer zouden zijn, zou de aarde eindigen in een verschrikking die met geen woorden is te beschrijven. Ze zou het moment van de 'gruwel van de verwoesting' hebben bereikt. Maar met een geweld zó verschrikkelijk, dat het de op de aarde gebrachte hel zou zijn.
Bid en vraag anderen te bidden dat alle zout niet smakeloos worden in allen behalve één, in de laatste martelaar die er zal zijn voor de laatste Heilige Mis, want tot de laatste dag zal Mijn strijdende Kerk er zijn en zal het Offer worden opgedragen.
Hoe meer ware priesters er in de wereld zullen zijn als de Tijden zijn vervuld, des te korter en minder wreed zal de tijd van de Antichrist en de laatste stuiptrekking van het menselijk ras zijn. Want de 'rechtvaardigen' over wie Ik spreek, als Ik spreek over het einde van de wereld, zijn de ware priesters, die echte priesters, de ware gewijden in de over der wereld verspreide kloosters, de slachtofferzielen, een onbekende schare van martelaren, die alleen Mijn Oog kent, terwijl de wereld ze niet kent, en zij die handelen met echte zuiverheid van geloof. Maar deze laatsten zijn, buiten hun eigen weten, gewijd en slachtoffers.”

Geen opmerkingen: