zondag 20 mei 2018

De Laatste Tijden (8)

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz. 198
Uitg. St. Maria Valtorta
1 augustus 1943
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“Als een schepsel werkelijk een dochter van haar Heer is, lijdt zij zoveel door de beledigingen Hem aangedaan, dat geen enkele vreugde der aarde, ook de heiligste en grootste niet, haar kan troosten.
Mijn Moeder, en met Haar zoveel heilige moeders uit de oude en nieuwe Wet, voelde zich niet erg gelukkig in Haar moedergeluk, als Moeder van God, want Ze zag dat God niet in geest en waarheid werd bemind, behalve door weinigen. De genade die Haar ziel met haar volheid overstroomde, gaf Haar een voorproef van de heiligschennis waarmee de Ware Ark van het Woord van God zou worden gevangengenomen, ontheiligd, vermoord, door een volk dat vijandig was tegenover de Waarheid. Zij stierf niet in die wetenschap, zoals de schoondochter van Eli (1 Sam. 2,27-36; 4,19-22), omdat God Haar hielp, omdat Hij Haar moest voorbehouden voor alle lijden, maar Ze verkeerde in doodsstrijd voor de gehele rest van Haar leven.

Mijn Moeder droeg het Kruis vóór Mij. Mijn Moeder kende de wrede kwellingen van de gekruisigden vóór Mij. Zij begon het kruis te dragen en te kennen vanaf het moment waarin Haar en Mijn zending werd geopenbaard.
Ik met Mijn Bloed, Maria met Haar tranen, hebben Wij de vergeving van God voor jullie verkregen. En jullie geven je daarvan zo weinig rekenschap!
De schepselen die God beminnen met ware liefde lijden door de God aangedane beledigingen als door zwaarden die hun hart doorboren, en ze sterven er ook aan: slachtoffers wier offer is als zoete wierook die de troon van de Heer omgeurt, en als water dat de zonden van de aarde wast.
'Indien gij u met geheel uw hart tot God wilt bekeren en uit uw midden de vreemde goden verwijdert, uw hart op God richt en Hem alleen dient, dan zal Hij u uit de handen van de Filistijnen bevrijden' zegt het Boek (1 Sam. 7,3). Om te worden gered is het onschuldige offer van hen, die sterven van verdriet bij het zien dat hun God wordt beledigd en de schuldigen worden gestraft door goddelijke gerechtigheid niet voldoende voor een volk. Het is noodzakelijk dat het hele volk tot de Heer terug keert.
Ik heb gezegd: 'Niet zij die zeggen: Heer, Heer, maar zij die de werken doen die Ik zeg te doen, zullen worden gehoord en Mijn Rijk binnengaan'. Nu: doen jullie de werken die Ik jullie zeg te doen tot jullie welzijn? Nee. Want dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.(Jes. 29:13; Mt. 15,8)
Ik regeer niet in jullie harten en zielen. De plaats is bezet door leugenachtige godheden, die jullie te gronde richten en waarvan jullie je niet weten te bevrijden.
Jullie hoogmoed verhindert, dat jullie hart verbrijzeld wordt door het verdriet God te hebben beledigd, en dat het in de pijn het water van de tranen plengt dat reinigt.
Jullie ontmatigheid tegenover de prikkels van het vlees verhindert dat uit jullie hart zuivere gedachten komen.
Jullie hardheid verhindert jullie hart barmhartig te zijn, en wie niet barmhartig is, ontvangt geen barmhartigheid van God.
Hoeveel goden hebben jullie in je hart in plaats van de Ware God!
En zo kan Ik jullie niet bevrijden uit de handen van de Filistijnen. Jullie bevrijden in de volle zin van bevrijding. Een van jullie vijanden valt, maar twee anderen staan op. Ben ik misschien onrechtvaardig? Nee. Zijn jullie niet net eender, jullie die, áls jullie de ene ondeugd uit jullie hart verwijderen er zeven en driemaal zeven andere voor in de plaats brengen?
Oh! kinderen, kinderen, die Mij noodzaken te straffen! Om jullie allen te straffen, want om een land te straffen dat in de drievoudige en de zevenvoudige zonde is gevallen, moet Ik ook de heiligen daarin straffen!
Maar de tranen van de heiligen droog Ik, terwijl de tranen van de rebellen, niet ontsprongen aan heilig verdriet van de geest, maar aan het zware verdriet van het vlees dat lijdt, als in inferieure wezens die in het wenen in opstand komen en hun rechtvaardige God vervloeken, zullen worden gedroogd door de adem van de duivels. En Ik verzeker jullie, dat het vuur dat jullie nu in brand steekt, neerdalend uit de hoogte op jullie helse intriges, niets is in vergelijking met de gloed die jullie zal omgeven met de ergste kwelling: die van het in eeuwigheid niet zien van jullie God.”

Jezus zegt:
“Als jullie nadenken over Mijn uitdrukking: 'In waarheid zeg Ik jullie, dat de tollenaars en de prostituees eerder het Rijk van God zullen binnengaan dan jullie', kunnen jullie begrijpen wat de kracht van het geloof is als het absoluut is en oprecht van intentie.
Daarom zeg Ik jullie ook niemand van jullie broeders en zusters te oordelen, en niet in dwaasheid te zeggen: 'Ik ben onbezorgd over mijn ziel, want ik heb geen zware zonden begaan.'
Nee, want ik werkelijkheid begaan jullie een grotere zonde dan de tollenaars en de prostituees, omdat die worden beheerst door hartstochten van het vlees, terwijl jullie onmatig zijn in de hartstochten van de geest. Het ontbreekt jullie aan naastenliefde en daarom beledigen jullie God, het ontbreekt jullie aan nederigheid en daarom boezemen jullie Hem afkeer in, het ontbreekt jullie aan wroeging en daarom maken jullie Hem streng.
Die arme tollenaar, de arme publieke vrouw, die door veel dingen ertoe gebracht kunnen zijn om zo te zijn, als die Gods blik ontmoeten, in Hem geloven en tot Hem komen met heel hun kracht van geloof, van liefde, van nederigheid en berouw, dan is het niet alleen een oppervlakkige wassing, maar een oververzadiging van Mijn Macht wat hen geneest en tot helden maakt.
Maar jullie!... Zo weinigen van jullie zijn in staat standvastig te zijn in het geloof in hun God! Kijk, Maria: als sneeuw die uit de wolken neervalt, zo vallen de zielen uit gebrek aan geloof. En als het eerder een beginnende sneeuwbui was, nu herhaalt het zich steeds vaker als een storm. Arme zielen! Ze zouden zoveel geloof nodig hebben om iets van hun geest te redden, die al zo gewond is. In plaats daarvan weten ze niet te geloven.
En in wie geloven ze dan als ze niet in Mij geloven, de Eeuwige? Leven zonder te geloven in onmogelijk. Wie niet in God gelooft, in de Ware God, zal noodgedwongen in andere goden geloven. Wie in geen enkele god gelooft, zal in idolen geloven, hij zal geloof schenken aan de kracht van de wapens. Maar tenslotte kan men niet leven zonder in iets te geloven. Erger dan het donker dat de blinden omhult, is het duister van de ziel die in niets menselijks of bovennatuurlijks gelooft. Er blijft haar niets over dan ziel en lichaam te doden in een gewelddadige dood.
Toen Judas niet langer in Mij geloofde, niet in de voldoening van het geld, niet in de bescherming van de menselijke wet, heeft hij zichzelf gedood. Wroeging over de misdaad? Nee. Als het dat zou zijn geweest, zou hij zichzelf onmiddellijk hebben gedood nadat hij had begrepen dat Ik wist. Maar toen niet, en niet na de schandelijke kus en Mijn liefdevolle groet, niet toen, niet toen hij Mij zag, bespuwd, geboeid, weggesleept onder duizenden beledigingen. Pas na te hebben begrepen dat de wet hem niet beschermde – de arme menselijke wet, die dikwijls de misdaad schept of ertoe aanspoort, maar dan haar belangstelling verliest in haar uitvoerders en medeplichtigen, en bij eventuele gelegenheid zich tegen hen keert, en na ze te hebben gebruikt ze tot zwijgen brengt voor altijd, door ze uit de weg te ruimen – en alleen na te hebben begrepen dat macht en geld hem niet zouden toevallen of te armzalig waren om gelukkig te maken, pas toen heeft hij zelfmoord gepleegd. Hij verkeerde in de duisternis van het niets. Hij wierp zich in de duisternis van de hel.
De wereld wordt een chaos zonder licht, omdat het licht van het geloof steeds meer uitdooft in de harten. Het is een geestelijke dood, die de geesten die in Mij leven van afschuw vervult.
Daarom zeg Ik jullie dat, als een tollenaar en een publieke vrouw in Mij geloven, zij Mijn Rijk vóór jullie binnengaan. Want wie werkelijk in Mij gelooft, leeft in gehoorzaamheid aan Mijn Woord. Als hij een zondaar is, wordt hij verlost. Als hij zonder zonde is, wordt hij ervoor bewaard.
Op een of ander manier verwacht Ik, Vergeving en Liefde, hen die in Mij geloven, om ze te bekronen met glorie.”

Geen opmerkingen: