zondag 4 maart 2018

De Laatste Tijden (4)

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz. 182
Uitg. St. Maria Valtorta
24 juli 1943
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“Ik heb je al verteld, dat alle leed dat jullie nu bedrukt de vrucht is van het verlaten van Mijn Wet, van de kant van enkelingen en van de maatschappij. Het gebrek aan geloof, het gebrek aan naastenliefde, het gebrek aan hoop, het ontbreken van elke deugd, hebben slechts één oorsprong: de desertie van Mijn leger, het christelijke leger.



Als uit een stam met giftige wortels, zijn in plaats van Mijn deugden bepaalde neigingen, ondeugden, hartstochten ontsprongen, die slechter zijn dan de menselijke: ja, duivelse. De plant van het christelijke leven is in bijna alle harten gestorven, in velen vegeteert ze met moeite, in enkelen is ze nog bloeiend, gevoed met het sap van het Leven, gesierd met krachtige bladeren.
Er is ook geen hoop meer dat de dingen veranderen. Ze zullen integendeel steeds meer naar het slechte neigen; want zoals het bos, dat geteisterd wordt door parasiterende planten en schadelijke insecten, de bladeren en vruchten steeds meer verliest en tenslotte sterft, evenzo gebeurt het met de huidige maatschappij, die door duizenden slechte neigingen en door duizenden zonden steeds meer in brand staat, verstikt en aangevreten wordt.
Mijn Woord – zaad en water van Leven, en waar Leven – kan niet neerdalen in de zielen. Ze zijn te veel bezig met andere dingen. De meerderheid van de Christenen heeft Christus afgewezen, want in plaats van de Christus hebben ze zichzelf, de macht, het geld of het vlees geplaatst. Wie minder in gebreke blijft, schiet toch nog tekort, want hij heeft geen echte barmhartigheid jegens zijn naaste. Wie vloekt er niet, verwenst er niet vandaag de dag?
Maar jij, dochter die Ik bemin, vloek niet, verwens niet! Laat aan je God de taak van het straffen. Bemin en wees barmhartig voor iedereen. Ook voor hen die op de eerste plaats schuldig zijn.
Het zijn ongelukkige mensen, het zijn ongelukkigen! Ze hebben al het goede dat ze hadden verwoest door het slechte van Satan te verwelkomen. Ze hebben een eeuwigheid van glorie verruild voor een uur van aardse glorie. Ze hebben voor dertig denariën hun ziel aan Satan verkwanseld. Ze zijn de Judassen van hun ziel. Ze wekken Mijn minachting en Mijn medelijden. Ja, ook medelijden, want Ik ben de God van de barmhartigheid en Ik voel medelijden met Mijn verdwaalde kinderen. Help Mij om ze te redden van de laatste zonde. Hoe graag zou Ik hen willen vergeven! Jij, dochter die Ik bemin, vergeef. Laat uit jouw hart, dat Mij en Mijn Woord bezit, niets anders komen dan woorden van vrede en vergeving. Ik weet dat het moeilijk is voor jullie menselijkheid. Maar boven haar staat de geest, en de geest is het rijk van de Heer. Hoe kunnen jullie nu de Heer in je hebben, als jullie geest niet dezelfde hartstochten heeft als hun Koning?
En Zijn hartstochten zijn, evenals Zijn woorden, heilig, barmhartig en goed. Ze dragen alle het zegel van de Liefde, van de ware Liefde, die nooit méér liefde is dan wanneer ze zich offert voor de broeders en zusters, en hen vergeeft.”

28 juli 1943
Jezus zegt:
Het is niet lang geleden dat Ik tegen je heb gezegd Mij te helpen de schuldigen aan de laatste zonde te redden. Maar je hebt niet begrepen wat Ik wilde zeggen. Je hebt gebeden.
Dat is, in waarheid, voldoende, want alleen Ik hoef alles te begrijpen. Maar voor jullie, Mijn kinderen is de onbeperkte onthulling niet noodzakelijk. Alles wat Ik jullie zeg, is een geschenk waarop jullie geen recht hebben, een spontane gave van de Vader aan Zijn meest dierbaren, want het is voor Mijn hart dierbaar jullie Mijn vertrouwen te schenken, door jullie bij de hand te nemen en in te leiden in de geheimen van de Koning. Maar jullie moeten er geen aanspraak op maken. Het is zo mooi de vertrouweling van een God te zijn, maar het is ook mooi en heilig kleine kinderen te zijn, zich volledig en blindelings over te geven aan de Vader Die uit Zichzelf handelt, kinderen die zich laten leiden zonder te willen weten waarheen de Vader hen leidt.
Weest zeker, kinderen, Ik leid jullie op de wegen van het Goede. Jullie Vader wil slechts het goede voor jullie.
Zowel de vertrouwelingen als de vertrouwenden zijn nodig voor de vreugde van Mijn Hart, en het is de hoogste volmaaktheid om 'vertrouwende vertrouweling' te zijn. Dan zijn jullie leerlingen, al in staat tot handelen in naam van de Meester, en kindertjes die zich door de Vader laten leiden. Jullie zijn dan Mijn troost en Mijn vreugde.
 In een wereld als die van jullie is het zo moeilijk voor Mij om leerlingzielen te vinden! De adem van het Beest heeft jullie zozeer verdorven, dat de eenvoud, het vertrouwen en de onschuld, waarin Ik rust vond, zelfs in de zielen van de kindertjes zijn gedood.
Gisteren heb Ik niets tegen je gezegd, Maria, en jij was verward als iemand die de weg is kwijtgeraakt. Maar Ik ben niet alleen je Meester, Ik ben ook je arts, een arts niet alleen van je geest, maar ook van je lichaam. Ik heb gisteren gezien dat je te moe was en Ik heb gezwegen, en Ik heb zoveel woorden voor vandaag voor je bewaard. Ik wil niet dat Mijn kleine spreekbuis gebroken wordt door de inspanningen die haar krachten te boven gaan. Vandaag spreek Ik voor gisteren en vandaag.
Je hebt gebeden, geofferd en geleden volgens Mijn verlangen, om het plegen van de laatste zonde te verhinderen. En je bent geslaagd, ofschoon je aan iets anders dacht, en 'de laatste zonde' in werkelijkheid iets anders was. Ik heb de beste zielen veel verlangen om te bidden en te lijden voor dat doel ingegeven, om zich veel, veel, veel inspanningen te getroosten om het gevaar te overwinnen. En er nog altijd behoefte aan veel, veel, veel inspanning om de zaak tot een einde te brengen zonder vormen van ontaarding, nog erger dan het eerste kwaad.
Gisteren is, als enig teken van Mijn met jou zijn, om Licht en Stem voor je te zijn, het leiden van je hand geweest bij het openen van het Boek op de bladzijden die op een afstand van eeuwen over het heden spreken. We zullen ze samen lezen en Ik zal ze voor je toelichten. Maar sinds gisteren heb je begrepen wat daarin het 'heden' is.
Er is een groot kwaad verhinderd, Maria, een groot kwaad. Ik heb medelijden met jullie gehad, volk dat het christelijke Rome als hart heeft. Daarom is er, meer dan ooit, veel gebed en lijden nodig, Maria, en te doen bidden en lijden, zo mogelijk – maar dat is erg moeilijk, omdat de helden van het lijden zeer gering in aantal zijn – opdat het overwonnen grote kwaad niet ontkiemt, als een kwaadaardige plant, in duizendvoudig klein kwaad, dat zou eindigen in het vormen van een vervloekt bos, waarin allen zouden omkomen in onvoorstelbare verschrikking.
Ik heb medelijden met jullie gehad. Maar wee jullie als dit medelijden, aan de Gerechtigheid ontrukt door het aandringen van Mijn gebeden, van Mijn Moeder, van de Beschermers en van de Slachtoffers, door jullie, o Mijn volk, zou worden beantwoord met daden die jullie Mijn genade onwaardig maken. Wee als op de enige grote 'zelfverafgoding' de kleine en talrijke 'zelfverafgodingen' zouden volgen!
Een alleen is God, en dat ben Ik, en er is geen andere God buiten Mij. Dat moet worden onthouden. God is geduldig, maar Hij is, in Zijn oneindig geduld, niet schuldig tegenover Zichzelf. Hij zou schuldig zijn, als Hij in Zijn geduld niet tussenbeide zou komen om te zeggen: 'Genoeg', tot aan onverschilligheid toe wat Zijn zelfrespect betreft.
Richt niet voor een gevallen idool veel kleine idolen op, allen versierd met dezelfde satanische tekenen van wellust, hoogmoed, fraude, aanmatiging en dergelijke.
Als jullie goed zijn, zal Ik jullie tenslotte redden. Dat beloof Ik jullie, en het is een belofte van een God. En in Mijn intelligentie, waarvoor niets verborgen is – ook de geheimste misdaden niet, ook de meest onbeduidende van de menselijke beweegredenen niet – eis Ik niet dat een heel volk volmaakt is. Ik weet dat, als Ik jullie zou moeten belonen als allen de Goedheid zouden hebben bereikt, Ik jullie nooit zou belonen, maar het is Mijn bedoeling dat, als het onvermijdelijk is dat iemand zondigt, de massa zodanig zou moeten zijn dat ze de Leiders zou dwingen tot een gedrag dat Mijn beloning waardig is. Want, onthoudt het altijd, de Leiders begaan zonden, maar het is de massa die, met haar mindere zonden, de Leiders tot de grote zonde brengt.
En dit is voorlopig voldoende, Mijn ziel. Later zullen we samen Jesaja lezen, en zoals in de synagoge en in de Tempel, zal Ik het voor je toelichten.”

Geen opmerkingen: