zondag 18 februari 2018

De Laatste Tijden (2)

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz. 175
Uitg. St. Maria Valtorta
22 juli 1943
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“Laten we doorgaan met de vergelijking tussen het verleden en het heden, dat in het eeuwige Zijn van God een eeuwig heden is, en vandaag zal Ik je laten kijken naar wat je hart het meest nabij is.
Ik verloochen de vaderlandsliefde niet. Ik, de eeuwige Zoon van God, Mens geworden, heb een vaderland gehad en heb het bemind met een volmaakte liefde. Mijn aardse vaderland heb Ik bemind en Ik zou het de bescherming van God waardig hebben willen weten, en omdat Ik het daarentegen onwaardig wist, heb Ik erover geweend (Luc. 19:41-44). Ik begrijp daarom het verdriet van een loyaal hart, dat het vaderland niet alleen in gevaar ziet, maar veroordeeld tot dagen vol lijden, in vergelijking waarmee de dood een geschenk is.



Maar zeg Mij, Maria, kunnen jullie zeggen dat Ik dit land (Italië) niet heb bemind, dat jullie vaderland is en waarnaar Ik Mijn Petrus heb gezonden om de Rots op te richten, die niet zou instorten door het blazen van de winden, dit land waar Ik, op een moment van menselijke aarzeling, ben gekomen om Petrus te bevestigen voor het martelaarschap, omdat dat bloed in Rome nodig was om van Rome het centrum van het Katholicisme te maken?
Kunnen jullie zeggen dat Ik dit land niet heb bemind, waarin Mijn belijders in scharen zijn gevallen als aren van een eeuwig graan, gemaaid door een Eeuwige Maaier, om hen tot voedsel te maken voor jullie geest?
Kunnen jullie zeggen dat Ik dit land niet heb bemind, waar Ik de relikwieën heb gebracht van Mijn leven en Mijn dood: het huis van Nazareth, waar Ik werd ontvangen in een omhelzing van lichtende gloed tussen de Goddelijke Geest en de Maagd, en de Lijkwade waar het zweet van Mijn Dood de tekening heeft afgedrukt van Mijn lijden, geleden voor de mensheid?
Kunnen jullie zeggen dat ik dit land niet heb bemind, waar de grootste heiligen hebben gebloeid, zij die aan Mij gelijk waren door het geschenk van de Wonden, zij die, geholpen door Mij, werken hebben geschapen die in de eeuwen het wonder van het brood en de vis herhalen, vermenigvuldigd voor de noden van de mens?
Kunnen jullie zeggen dat Ik dit land niet heb bemind, dat Ik zoveel genieën heb geschonken, zoveel overwinningen, zoveel glorie, zoveel schoonheid aan hemel, aarde, zee, bloemen, bergen en bossen?
Kunnen jullie zeggen dat Ik dit land niet heb bemind, waar Ik jullie hulp gegeven heb om vrij en verenigd te worden? In de oorlogen tegen vijanden die tienmaal groter waren dan jullie, in dwaze ondernemingen, in menselijk oordeel, was Ik met Mijn engelen onder jullie scharen. Ik was het Die de aanvoerders verlichtte, de soldaten beschermde, het verraad telkens verijdelde, Die jullie overwinning en vrede heb geschonken. Ik was het Die jullie de vreugde schonk van de verovering, als dat geen werk van aanmatiging was maar een werk van beschaving kon zijn, of van bevrijding van jullie landen van vreemde overheersing.
Kunnen jullie zeggen dat Ik jullie niet de noodzakelijkste vrede heb toegestaan: die van Mijn Kerk, die jullie vaderen hadden beledigd, en die heeft vergeven, opdat Italië werkelijk één en groot kon worden?
En ben Ik niet gekomen om jullie water te geven voor de dorstige oogsten, zon voor de natte akkers en gezondheid bij epidemieën?
En heb Ik niet de Stem gegeven die in Mijn Naam spreekt, die eerst tot jullie spreekt, vóór de anderen, omdat ook in Mijn Vicaris, Universele Herder, vaderlandsliefde is, en Mijn Vicarissen sinds eeuwen Italianen zijn geweest? Uit het hart van Italië verspreidt zich de Stem over de hele wereld en jullie ontvangen er de eerste golf van, ook de lichtste.
En wat heeft dat alles gebaat?
Jullie hebben aan je plicht verzaakt. Jullie hebben geloofd dat alles geoorloofd was, omdat jullie de dwaze gedachte koesterden God tot je dienst te hebben. Jullie hebben gedacht dat Mijn Gerechtigheid borg zou staan voor jullie zonden, voor jullie aanmatigingen, jullie afgoderij. Hoe meer God goed en lankmoedig was, des te meer hebben jullie ervan geprofiteerd. Jullie hebben systematisch het Goede afgewezen en het Kwade omhelsd en er een cultus van gemaakt.
En dan? Waarover beklagen jullie je?
Is misschien niet 'de gruwel van de verwoesting' (Dan. 9,27; 11'31; 12'11; Mt. 24,15; Mc. 13,14) amper buiten de zetel van Petrus? Dringt die niet met zijn stinkende golven van ondeugd, wellust, bedrog, afgoderij van de zinnen, van de onrechtmatige rijkdommen, van de geroofde en buitgemaakte macht, zelfs door tot bij de treden van de leerstoel van Petrus? En wat willen jullie nog meer weten?
Leest met aandacht de woorden van Johannes en vraagt niet om meer te weten.
Met God wordt niet gespot en God wordt niet op de proef gesteld, kinderen. En jullie hebben Hem zozeer op de proef gesteld, en doen dat nog steeds. In het binnenste van jullie zielen, van jullie verstand, van jullie lichamen, binnen jullie huizen, binnen jullie instellingen, overal stellen jullie Hem op de proef en bespotten jullie Hem.
Mijn engelen bedekken hun gelaat om jullie koehandel met Satan en zijn voorgangers niet te zien. Maar Ik zie het en Ik zeg: Genoeg!
Als Jeruzalem gestraft werd om haar misdaden, zal dan het tweede Jeruzalem niet worden gestraft, dat na twintig eeuwen Christendom nieuwe goden verheft op de leugenachtige altaren, opgedrongen door meesters die nog meer getekend zijn met het teken van het Beest dan jullie in Italië, en dat denkt Christus te kunnen bedriegen met een leugenachtige onderworpenheid aan Zijn Kruis en aan Zijn Kerk, alleen voorgedragen uit geraffineerde schijnheiligheid, die onder de glimlach en de buiging het zwaard van de sluipmoordenaar verbergt?
Ja. jullie volbrengen ook de laatste misdaad. Jullie vervolgen Mij in Mijn Pausen en in Mijn ware gelovigen. Maar doet het openlijk en snel. Ik zal even snel handelen. (Drie dagen later viel Mussolini, en vijftig dagen later was het Vaticaan omringd door de Duitsers).
Het is pijnlijk zo te spreken, en te spreken tot de minder schuldigen. Maar Ik vind in de anderen geen oor dat Mij hoort. Ze vallen en zullen vallen terwijl ze Mij vervloeken. Als ze tenminste, tenminste onder de zweep van de gesel, in de doodsstrijd die hart en vaderland benauwt, zich zouden weten te bekeren, zouden vragen om medelijden.
Maar ze zullen het niet doen. En er zal geen medelijden zijn. Het volle medelijden, dat Ik jullie zou willen geven. Het zijn er te weinig die het verdienen, in vergelijking met de grote menigte die zich ieder uur meer onwaardig betoont. Als de goeden een tiende zouden vormen van de slechten, zou hetgeen getekend is veranderd kunnen worden. In plaats daarvan volgt de gerechtigheid haar loop. Jullie zijn degenen die haar noodzaken haar loop te volgen.
Maar als er geen gezamenlijk medelijden meer zal zijn, er zal individuele gerechtigheid zijn. Zij die zichzelf kastijden uit liefde voor het vaderland en de broeders, zullen met onmetelijke liefde worden geoordeeld. De anderen met gestrengheid. Voor de meest schuldigen zou het beter zijn als ze nooit waren geboren. Geen enkele druppel bloed, uit de aderen van de nederigen geperst, geen enkel gekreun, geen rouw, geen wanhoop geperst uit een hart, geen van God geroofde ziel, zal zonder gewicht blijven in het oordeel.
Ik zal de nederigen vergeven, die kunnen wanhopen door de schrik om de gebeurtenissen. Maar Ik zal niet vergeven aan hen die tot wanhoop hebben gebracht, in gehoorzaamheid aan de wil van het Beest.”

Geen opmerkingen: