maandag 29 januari 2018

Het Weesgegroet (5)

Uit: Maria Valtorta, De Geschriften 1943, blz. 283
Uitg. St. Maria Valtorta
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend


Jezus zegt:
“’Gezegend is de vrucht van uw schoot’.
Het goddelijk en maagdelijk moederschap plaatst Maria op de tweede plaats, na God alleen.
Maar blijft niet stilstaan om alleen naar Maria’s glorie te kijken. Bedenkt wat het Haar gekost heeft om die glorie te bereiken. Wie de Christus bekijkt in het licht van de Verrijzenis en niet nadenkt over de stervende Verlosser in de duisternis van Goede Vrijdag, is een dwaas. Ik zou geen Verrijzenis hebben gehad als Ik niet de dood zou hebben geleden, en Ik zou de Verlossing niet hebben vervuld als Ik het martelaarschap niet zou hebben ondergaan. Wie aan de glorie van Maria denkt en niet mediteert over hoe Zij die glorie bereikte, is een dwaas. De Vrucht van Haar schoot, Ik, de Christus, Woord van God, heeft Haar schoot verscheurd.



En begrijpt Mijn woorden niet verkeerd. Ik heb hem menselijk gesproken niet verscheurd. Zij stond boven de menselijke ellende, op Haar rustte niet de veroordeling van Eva, maaar Zij stond niet boven het Lijden. En het grote, met een hoofdletter geschreven, opperste, absolute Lijden is in Haar binnengedrongen met het geweld van een meteoor, die uit de Hemel neerstortte op het moment zelf waarin Zij de extase ervoer van de omhelzing met de scheppende Geest.
Gelukzaligheid en lijden hebben het hart van Maria aangegrepen in een enkele omknelling op het moment van Haar hoogste ‘fiat’ en van haar meest kuise bruiloft. Gelukzaligheid en lijden smolten ineen in een enkel geheel zodra Zij één geheel werd met God. Geroepen tot een zending van Verlosseres, overtrof het lijden vanaaf het eerste moment de gelukzaligheid. Die kwam bij Haar Tenhemelopneming.
Verenigd met de Geest van Wijsheid, ontving Zij een openbaring in Haar geest over de toekomst die gereserveerd was voor Haar Schepsel, en er was niet langer enige vreugde, in de gebruikelijke zin van het woord, voor Maria
Met elk uur dat verstreek, terwijl Ik werd gevormd, leven scheppend uit haar bloed van maagdelijke Moeder, en verborgen in de diepte, had Ik onuitsprekelijke uitwisselingen van liefde met Mijn Moeder, een liefde en een lijden zonder weerga verhieven zich als golven van een stormachtige zee in het hart van Maria en geselden Haar met hun kracht.
Het hart van Mijn Moeder kende de steek der zwaarden van het lijden vanaf het moment waarin het Licht, het centrum van het Ene en Drie-Ene Vuur verlatend, in Haar binnendrong en de Incarnatie van God en de Verlossing van de mens begonnen; en dat steken groeide, uur na uur, gedurende de heilige zwangerschap: goddelijk Bloed dat werd gevormd met een bron van menselijk bloed, Hart van de Zoon dat klopte op het ritme van het hart van de Moeder, eeuwig Vlees dat werd gevormd met het onbevlekte vlees van de Maagd.
Het lijden was groter op het moment waarin Ik werd geboren om Licht te zijn voor een wereld in duisternis. De gelukzaligheid van de moeder die haar schepsel kust veranderde, in Maria, in de zekerheid van de Martelares die het martelaarschap dichterbij weet.
Gezegend is de vrucht van uw schoot.
Ja. Maar Ik heb aan die schoot, die alle vreugde verdiende, die voor een Adam zonder zonde was bestemd, alle lijden moeten geven. En voor jullie. Voor jullie het lijden Josef te bedroeven. Voor jullie de bevalling in zo uiterlijk armzalige omstandigheden. Voor jullie de profetie van Simeon, die het lemmet in de wonde ronddraaide, en de steek van het zwaard versterkte en verscherpte. Voor jullie de vlucht naar een vreemd land, voor jullie de angsten van een heel leven, voor jullie het vele verdriet Mij evangeliserend vervolgd te weten door de vijandige kasten, voor jullie de schrik van de gevangenneming, de kwelling van de veelvuldige martelingen, de doodsangst om Mijn doodsangst, de dood om Mijn dood.
Ik ben opgevangen op de schoot die Mij had gedragen, met een barmhartigheid die niet groter kon zijn, en Ik zeg jullie in waarheid, dat er geen verschil was van leven en dood tussen Mijn Hart, stilgevallen voor de beweging van het leven en verscheurd door de lanssteek, en dat van de meest Bedroefde die Mij op Haar schoot hield. Het hart van Maria en Haar schoot waren gedood, zoals Ik, de Onschuldige, gedood was.
Voegt aan de wonderen die verbonden waren aan de Verlossing, bekend en onbekend, voor iedereen duidelijk of onthuld aan de bevoorrechten, ook het wonder toe van het in leven blijven van Maria door het werk van de Eeuwige, nadat haar hart werd gebroken door en voor het menselijk geslacht, zoals dat van de Zoon, Haar Jezus.
Jullie, die het lijden niet weten te dragen en het niet willen dragen, weten jullie welk lijden dat van de Gezegende, van de Onbevlekte, van de Heilige is geweest, een verscheurd hart in zich te dragen, dood, verlaten, en een lichaam zonder leven op Haar schoot gelegd te zien, verscheurd, bloedend, lijkkleurig, dat het Lichaam van Haar Zoon is geweest, het Vlees van Haar vlees, het Bloed van Haar bloed, het Leven van Haar leven, de liefde van Haar geest?
Jullie hebben Mij gehad, omdat Maria, drieëndertig jaar vóór Mij, het drinken van de kelk van de bitterheid heeft aanvaard. Op de rand van de beker, die Ik heb gedronken terwijl Ik bloed zweette, heb Ik de smaak van de lippen van Mijn Moeder aangetroffen, en de bitterheid van Haar tranen was vermengd met de gal van Mijn Offer. En, gelooft het, Haar te doen lijden, Haar die het lijden niet verdiende, heeft Mij het meest gekost. Het verlaten zijn door de Vader, het lijden van Mijn Moeder, het verraad van de vriend waarin alle verraad van de toekomst lag, dat waren de wreedste dingen van Mijn wrede kwelling als Verlosser. De lanssteek van Longinus in een al voor lijden ongevoelig orgaan is, daarbij vergeleken, niets.
Ik zou willen dat jullie voor het lijden dat Mijn Moeder verscheurde omwille van jullie, Haar liefde zouden betonen. Grote, allertederste liefde van een kind voor de meest volmaakte van alle moeders, de Moeder die nog niet heeft opgehouden te lijden en hemelse tranen te schreien voor de kinderen van Haar liefde, die het Vaderlijk huis verwerpen en zich tot bewaarders maken van onreine dieren: de ondeugden, liever dan de kinderen van een koning te blijven, kinderen van God.
En als Ik een norm mag geven, weet dan dat Ik, God, Mijzelf niet te min acht om met oneindige en eerbiedige liefde Mijn Moeder te beminnen, van wie Ik de onbevlekte natuur zie, maar wier gemartelde leven als Medeverlosseres Ik Mij ook herinner, zonder welk Ik niet Mens onder de mensen zou zijn geweest en jullie eeuwige Verlosser.”

Geen opmerkingen: