woensdag 24 januari 2018

Het weesgegroet (4)

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz 280
Uitg. St. Maria Valtorta
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“'Gij zijt de gezegende onder de vrouwen'.
Deze zegening, die jullie slecht of helemaal niet uitspreken tegen Haar die door Haar offer de Verlossing heeft ingezet, weerklinkt onophoudelijk in de Hemel, met oneindige liefde uitgesproken door Onze Drie-Eenheid, met ontvlamde liefde door de door Ons Offer geredden en door de engelenkoren. Heel het Paradijs zegent Maria, meesterwerk van de universele Schepping en van de goddelijke Barmhartigheid.


Al zou ook heel het werk van de Vader om uit het niets de aarde te scheppen alleen hebben gediend om Maria te ontvangen, dan zou het scheppingswerk zijn rechtvaardiging hebben gehad, omdat de volmaaktheid van dat Schepsel zodanig is, dat Zij niet alleen getuigt van de Wijsheid en de Macht, maar ook van de Liefde waarmee God de wereld heeft geschapen.
Daar de aardse schepping slechts Adam voortbracht en het geslacht van Adam, was Maria het getuigenis van de barmhartige superliefde van God voor de mens, want door Maria, Moeder van de Verlosser, heeft God de redding van het menselijk geslacht bewerkt, en Ik ben de Christus omdat Maria Mij heeft ontvangen en aan de wereld heeft geschonken.
Jullie zullen tegen Mij zeggen, dat Ik als God de noodzaak om vlees aan te nemen in de schoot van een vrouw kon overwinnen. Alles kon Ik, dat is waar. Maar bedenkt welke wet van orde en goedheid er ligt in Mijn vernietiging in een sterfelijk omhulsel.
De door de mens gepleegde zonde moest door een mens worden uitgeboet en niet door een niet-vleesgeworden godheid. Hoe zou de Godheid, onlichamelijke Geest, door het offer van Zichzelf de zonden van het vlees hebben kunnen verlossen? Het was dus noodzakelijk dat Ik, God, zou betalen voor de zonden van het vlees en van het bloed, door de kwelling van een onschuldig Vlees en Bloed, geboren uit een onschuldige.
Mijn verstand, Mijn gevoel, Mijn geest zou hebben geleden voor jullie zonden van het verstand, van het gevoel en van de geest. Maar om Verlossing te zijn van alle begeerten, door de Verleider in Adam en in zijn nageslacht ingeënt, moest de voor allen Geofferde begiftigd zijn met een natuur die gelijk was aan die van jullie, waardig gemaakt om aan God te worden gegeven ter loskoping, door de daarin verborgen Godheid, zoals een juweel van oneindige bovennatuurlijke waarde, verborgen onder gewone, natuurlijke gedaante.
God is orde, en God schendt de orde niet en doet haar geen geweld aan, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen, nuttig geoordeeld door Zijn Intelligentie. Dat was met Mijn Verlossing niet het geval
Ik moest niet alleen de zonde uitwissen, van het moment waarop ze gebeurde tot het moment van het offer, en in de mensen van de toekomst de effecten van de schuld wegnemen, door ze geboren te laten worden onbewust van het kwaad, zoals Adam vóórdat hij haar beging. Nee. Ik moest door een totaal offer de zonde herstellen en de zonden van heel de mensheid, de al overledenen de absolutie van de zonde geven, aan de levenden in dat uur en in de toekomst het middel geven om hen te helpen weerstand te bieden aan het kwaad en om vergiffenis te krijgen voor het kwaad, waartoe ze door hun zwakheid zouden worden verleid.
Mijn offer moest dus van dien aard zijn dat het alle noodzakelijke vereisten bevatte, en dat kon het alleen zijn in een God Die mens geworden was: een aan God waardig offer, en een middel dat door de mens zou worden begrepen. Bovendien kwam Ik om de Wet te brengen.
Als Mijn Mensheid niet zou hebben bestaan, hoe zouden jullie dan hebben kunnen geloven, jullie, Mijn arme broeders en zusters, die het al moeite kost in Mij te geloven, Die drieëndertig jaar op aarde heb geleefd, Mens onder de mensen? En hoe kon Ik verschijnen, al volwassen, aan vijandige en onwetende volkeren, ze overtuigen van Mijn natuur en van Mijn Leer? Ik zou dan zijn verschenen, in de ogen van de wereld, als een geest die het uiterlijk van de mens had aangenomen, maar niet als een mens die geboren werd en stierf, echt bloed vergoot uit de wonden van een echt vlees – als bewijs mens te zijn – en verrezen en tem Hemel opgestegen met Zijn verheerlijkt Lichaam – als bewijs God te zijn – Die terugkeert naar Zijn eeuwige woning.
Is het voor jullie niet zoeter te denken dat Ik werkelijk jullie Broeder ben, in het lot van schepselen die geboren zijn, leven, lijden en sterven, dan Mij te beschouwen als een geest, superieur aan de eisen van de mensheid?
Het was dus noodzakelijk dat een vrouw Mij zou voortbrengen naar het vlees, na Mij te hebben ontvangen boven het vlees, want uit geen huwelijk van schepselen, hoe heilig ook, kon de God-Mens worden voortgebracht, maar alleen uit een huwelijk tussen de Liefde en de Zuiverheid, tussen de Geest en de Maagd, geschapen zonder smet om de baarmoeder te zijn voor het vlees van een God, de Maagd waaraan God al vol vreugde kon denken nog voordat de tijd bestond, de Maagd waarin wordt gecondenseerd de scheppende Volmaaktheid van de Vader, de vreugde van de Hemel, de redding van de aarde, bloem van de schepping, mooier dan alle bloemen van het Universum, levende Ster, waartegen de door Mijn Vader geschapen zonnen uitgedoofd lijken.

Gezegend de Zuivere, bestemd voor de Heer.
Gezegend de door de Drie-Eenheid Verlangde, die door het verlangen het moment vervroegde van de versmelting met Haar in een omhelzing van drievoudige liefde.
Gezegend de Overwinnares, die de Verleider verpletterde onder de onschuld van Haar onbevlekte natuur.
Gezegend de Maagd die niets anders kende dan kus van de Heer.
Gezegend de Moeder, die dat geworden is door heilige gehoorzaamheid aan de wil van de Allerhoogste.
Gezegend de Martelares, die het martelaarschap aanvaardde uit medelijden met jullie allen.
Gezegend de Verlosseres van de vrouw en de kinderen van de vrouw, die voor Eva goedmaakt en in haar plaats wordt geïnstalleerd om de vrucht van het leven te geven daar waar de Vijand het zaad van de dood heeft gelegd.
Gezegend, gezegend, driemaal gezegend voor uw 'ja', o Mijn Moeder, die het God mogelijk hebt gemaakt de aan Abraham, de patriarchen en de profeten gedane belofte te houden, die troost hebt geschonken aan de Liefde, bedrukt omdat zij bestraffer moest zijn in plaats van redder, die de aarde hebt bevrijd van de haar door Eva aangedane veroordeling.
Gezegend, gezegend, gezegend voor uw heilige nederigheid, voor uw vurige naastenliefde, voor uw onaangetaste maagdelijkheid, voor uw goddelijk, veelvuldig, eeuwig, waar en geestelijk moederschap, Moeder die door uw liefde en door uw lijden voortdurend kinderen voortbrengt voor uw Jezus.
Voortbrengster van genade en redding, voortbrengster van de goddelijke Barmhartigheid, voortbrengster van de universele Kerk, wees gezegend in eeuwigheid voor wat u hebt gedaan, zoals u gezegend was in eeuwigheid voor wat u zou doen.
Heilige, heilige, heilige Priesteres, die het eerste offer hebt gecelebreerd en met een deel van uzelf de Hostie hebt voorbereid om te worden geofferd op het altaar van de wereld.
Mijn heilige, heilige, heilige Moeder, die Mij de Hemel en de schoot van de Vader niet hebt doen betreuren, want in u heb Ik een ander paradijs gevonden niet ongelijk aan dat waarin de Drie-Eenheid haar goddelijke werken verricht; Maria, die de troost bent geweest van uw Zoon op aarde en de vreugde van de Zoon in de Hemel, die de glorie bent van de Vader en de Liefde van de Geest.”

Geen opmerkingen: