zondag 3 december 2017

De hel

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1944 blz.55,
Uitg. St. Maria Valtorta
De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:
“Ik heb je ooit het monster uit de afgrond laten zien. Vandaag zal Ik je spreken over zijn rijk. Ik kan je niet altijd in het Paradijs laten. Denk eraan dat je de zending hebt je broeders terug te roepen tot de Waarheid, die ze te zeer hebben vergeten, en dat door die achteloosheid, die in werkelijkheid verachting is voor de eeuwige waarheden, zoveel kwaad over de mensen komt.
Schrijf dus deze pijnlijke bladzijden. Daarna zul je getroost worden. Het is vrijdagnacht. Schrijf terwijl je opziet naar je Jezus, Die aan het kruis gestorven is onder zulke martelingen dat ze te vergelijken zijn met die van de hel, en dat Hij een dergelijke dood heeft gewild om de mensen te redden van de Dood.
De mensen van deze tijd geloven niet meer in het bestaan van de hel. Ze hebben zich een hiernamaals samengesteld naar eigen smaak, en zodanig dat het minder schrikaanjagend is voor hun geweten, dat veel straf verdient. Meer of minder trouwe leerlingen van de geest van het Kwaad, weten ze dat hun geweten bepaalde misdrijven achterwege zou laten als ze werkelijk in de hel zouden geloven zoals het Geloof dat leert; ze weten dat hun geweten, na volbrachte misdaad, in zichzelf zou keren en in wroeging tot berouw zou komen, het berouw zou vinden in hun angst en door het berouw de weg om naar Mij terug te keren.
Hun kwaadwilligheid, van Satan geleerd, van wie zij dienaren of slaven zijn (naargelang hun instemming met de wensen en de suggesties van de Boze), wil die terugtrekking en die terugkeer niet. Hun kwaadwilligheid annuleert daarom het geloof in de hel, die werkelijk bestaat, en fabriceert voor zichzelf een ander geloof – als het dat al doet – dat niets ander is dan een stilstand om de aanloop te nemen naar andere toekomstige opstandigheden.
Hij drijft zijn mening zo ver, dat hij heiligschennend gelooft dat de grootste van alle zondaars van de mensheid, de favoriete zoon van Satan, die een dief was, zoals staat geschreven in het Evangelie, die wellustig was en naar menselijke glorie verlangde zoals Ik zeg, Iskarioth, die door de honger van de drievoudige wellust zich tot verkoper heeft gemaakt van de Zoon van God, en voor dertig zilverlingen en met het teken van een kus – een belachelijke geldwaarde en een oneindige gevoelswaarde – Mij heeft overgeleverd in de handen van de beulen, zich zou kunnen verlossen en langs opeenvolgende fasen tot Mij zou kunnen komen.
Nee. Als hij de heiligschennis bij uitstek was, Ik ben het niet. Als hij de onrechtschapene bij uitstek was, Ik ben het niet. Als hij degene was die Mijn Bloed met verachting vergoot, Ik ben het niet. En aan Judas vergeven zou heiligschennis zijn tegenover Mijn Godheid, die hij heeft verraden, zou onrechtvaardigheid zijn tegenover alle andere mensen, altijd minder schuldig dan hij, die toch zijn gestraft voor hun zonden, zou verachting zijn tegenover Mijn Bloed, zou tenslotte tekortdoen aan Mijn wetten.
Ik, de ene en Drie-Ene God, heb gezegd, dat wat voor de hel bestemd is, daarin de hele eeuwigheid zal blijven, want uit die dood staat men niet op voor een nieuwe verrijzenis. Ik heb gezegd, dat dit vuur eeuwig is en dat daarin alle bedrijvers van ergernis en ongerechtigheid  zullen worden ontvangen. En gelooft niet dat dit zo is tot het einde van de wereld. Nee, integendeel, na de vreselijke monstering zal die plaats van tranen en kwelling onbarmhartiger worden, omdat wat nog aan haar gasten is toegestaan als hun hels vermaak – het schade kunnen toebrengen aan de levenden en het zien van nieuwe verdoemden die naar beneden storten in de afgrond – er niet meer zal zijn, en de poort van het helse rijk van Satan zal worden dichtgeslagen en vergrendeld door Mijn engelen, voor altijd, voor altijd, voor altijd, een altijd waarvan het aantal jaren geen getal heeft, en in vergelijking waarmee, als de zandkorrels van alle oceanen van de aarde jaren zouden worden, zij nog minder zouden zijn dan een dag van de onmetelijke eeuwigheid, bestaande uit licht en glorie in de Hemel voor de gezegenden, en bestaande uit duisternis en verschrikking voor de verdoemden in de afgrond.
Ik heb je gezegd, dat het Vagevuur een vuur van liefde is. De hel is een vuur van gestrengheid.
Het Vagevuur is de plaats waarin jullie – denkend aan God, Wiens Wezen voor jullie heeft geschitterd op het moment van het persoonlijk oordeel, wat jullie heeft vervuld van verlangen Hem te bezitten – waarin jullie uitboeten voor het gebrek aan liefde voor de Heer, jullie God. Door de liefde veroveren jullie de Liefde, en door gradueel steeds vuriger liefde wassen jullie je gewaad rein tot het wit en lichtend is, om binnen te gaan  in het Rijk van Licht, waarvan ik je enkele dagen geleden de schittering heb laten zien (10 januari 1944).
De hel is de plaats waarin de gedachte aan God, de herinnering aan de God die men vluchtig heeft gezien bij het persoonlijk oordeel, niet zo is als voor de mensen in het Vagevuur, een heilig verlangen, een droevig maar hoopvol heimwee, hoop vol rustig afwachten, van zekere vrede die de volmaaktheid zal bereiken als God veroverd is, maar die al aan de uitboetende geest een blijde werkzaamheid geeft, omdat elke smart, elk ogenblik van smart hen dichter bij God brengt, hun Liefde. In de hel is echter wroeging, is woede, is verdoemenis, is haat. Haat tegen satan, haat tegen de mensen, haat tegen zichzelf.

Na tijdens het leven Satan te hebben aanbeden in plaats van Mij, nu ze hem bezitten en zijn ware gezicht zien, niet langer verborgen achter de betoverende glimlach van het vlees, achter de lichtende schittering van het goud, onder het machtige teken van het oppergezag, haten ze hem, omdat hij de oorzaak van hun kwelling is.

Na de mensen te hebben aanbeden, hun waardigheid van kinderen van God vergetend, zo ver dat ze zich voor hen tot moordenaars, dieven, oplichters en handelaren in onreinheid hebben gemaakt, nu ze hun meesters terugvinden waarvoor ze hebben gedood, geroofd, bedrogen, hun eigen eer hebben verkocht en de eer van zoveel ongelukkige, zwakke, onbeschermde schepselen, door van hen instrumenten te maken van ondeugd die de beesten niet kennen – tot wellust, kenteken van de mens die door Satan is vergiftigd – nu haten ze die mensen, omdat zij de oorzaak van hun kwelling zijn.

Na zichzelf te hebben aanbeden door aan het vlees, aan het bloed, en de zeven begeerten van hun vlees en hun bloed alle bevrediging te geven, door de Wet van God en de wet van de moraal met voeten te treden, nu haten ze zichzelf, omdat ze zichzelf zien als de oorzaak van hun kwelling.

Met het woord 'Haat' is dat rijk behangen; het brult in de vlammen; het schreeuwt in het tandengeknars van de duivels; het snikt en blaft in de jammerklachten van de verdoemden; dat woord 'Haat' weerklinkt en weerklinkt als een eeuwige klepel van een klok; het schalt als een eeuwige doodsbazuin, vervult alle uithoeken van die kerker, is in zichzelf een kwelling, omdat het bij elke weerklank de herinnering vernieuwt aan de Liefde die voor eeuwig verloren is, de wroeging Haar te hebben willen verliezen, de woede Haar nooit meer te kunnen weerzien.
De dode ziel, temidden van de vlammen, zoals die lichamen die op de brandstapels geworpen zijn of in de ovens van de crematoria, kronkelt en schreeuwt als weer bezield door een vitale beweging en wordt wakker om haar fout te begrijpen, en sterft en wordt elk moment opnieuw geboren met afschuwelijk lijden, want de wroeging doodt haar in een vloek en de doding brengt haar weer tot leven voor een nieuwe kwelling. Heel de misdaad God te hebben verraden in de tijd staat de ziel in eeuwigheid voor ogen; heel de fout God te hebben afgewezen in de tijd staat haar door haar kwelling in alle eeuwigheid voor ogen.
In het vuur weerspiegelen de vlammen de spookbeelden van wat ze tijdens hun leven op aarde hebben aanbeden; de hartstochten worden afgeschilderd in roodgloeiende penseelstreken met nog verlokkender aanblik, en schreeuwen, schreeuwen in hun herinnering: “Je hebt het vuur van de hartstochten gewild. Nu heb je het vuur, door God ontstoken, Wiens heilig Vuur je hebt bespot”.
Vuur beantwoordt aan vuur. In het Paradijs is volmaakt vuur van liefde. In het Vagevuur is vuur van zuiverende liefde. In de Hel is vuur van gekrenkte liefde. Aangezien de uitverkorenen volmaakt hebben bemind, geeft de Liefde Zich aan hen in Haar volmaaktheid. Daar de zielen in het Vagevuur lauw hebben bemind, maakt de Liefde Zich tot vlam om hen tot de Volmaaktheid te brengen. Omdat de verdoemden hebben gebrand van alle vuren behalve van het Vuur van God, brandt het Vuur van de toorn van God hen in eeuwigheid. En in het vuur heerst ijzige kou.
Oh! wat de Hel is kunnen jullie je niet voorstellen. Neemt alles wat voor de mens op aarde kwelling is: vuur, vlam, vorst, overstroming van water, honger, slaap, dorst, wonden, ziekten, plagen, dood, telt dat op en vermenigvuldigt het miljoenen malen. Dan hebben jullie slechts een schijntje van die verschrikkelijke waarheid.
In de onhoudbare gloed zal ijzige kou gemengd zijn. De verdoemden brandden van alle menselijke vuren en voelden slechts geestelijke ijzige koude voor de Heer, hun God. En ijzige kou wacht hen om hen te doen bevriezen, nadat het vuur hen zal hebben gezouten als vissen die op een vlam worden gelegd om te worden geroosterd. Kwelling in de kwelling, dit overgaan van de gloed die ontbindt naar de kou die condenseert.
Oh! Dit is geen figuurlijke taal, want God kan maken dat zielen, zwaar van de begane zonden, dezelfde gevoeligheid hebben als een vlees, ook voordat dat vlees opnieuw de ziel bekleedt. Jullie weten en jullie geloven niet. Maar waarlijk zeg Ik jullie, dat jullie er de voorkeur aan zouden geven alle kwellingen van Mijn martelaren te ondergaan, liever dan één uur van die helse kwellingen.
De duisternis zal een derde kwelling zijn. De materiële en de geestelijke duisternis. Om voor altijd in het duister te verblijven na het licht van het Paradijs te hebben gezien. En in de omhelzing van de Duisternis te zijn na het Licht, dat God is, te hebben gezien! Zich heftig verweren in die duistere verschrikking, waarin alleen verlicht wordt, als terugkaatsing van de brandende geest, de naam van de zonde waardoor men aan die verschrikking is gekluisterd! Geen houvast vinden, in die woeling van geesten die elkaar haten en elkaar beurtelings schaden, dan in de wanhoop die hen gek maakt en steeds meer verdoemd. Zich met de wanhoop voeden, op haar steunen, elkaar daarmee doden. De dood zal de dood voeden, is er gezegd. De wanhoop is de dood en zal die doden de hele eeuwigheid voeden.
Ik zeg jullie, Ik Die ook die plaats heb geschapen: toen Ik daarnaar ben neergedaald om degenen uit het Voorgeborchte te halen die op Mijn komst wachtten, Ik, God, heb afschuw gevoeld voor die verschrikking, en als iets dat door God is gemaakt niet onveranderlijk was, omdat het volmaakt is, zou Ik hem minder wreed hebben willen maken, want Ik ben de Liefde en die verschikking heeft Mij pijn gedaan.
En jullie willen erheen gaan. O kinderen, overweegt Mijn woord. De zieken worden bittere medicijnen gegeven, bij de door kanker aangetasten wordt het gezwel uitgebrand en weggesneden. Dit is voor jullie, zieken en kankerpatiënten, het medicijn en de chirurgische behandeling. Weigert haar niet. Gebruikt haar om te genezen. Het leven duurt niet langer dan deze weinige dagen op aarde. Het Leven begint wanneer jullie menen dat het is afgelopen, en het kent daarna geen einde meer.
Zorgt ervoor dat het leven voor jullie verloopt naar waar het licht en de vreugde van God de eeuwigheid mooi maken en niet naar waar Satan de eeuwige kweller is.”

Johannes zegt:
“De troost zal ik zijn, kleine zuster.
Gisterochtend heb je je beklaagd bij onze goede Jezus. Het kwam je voor, dat Hij je achterstelde bij de arbeiders van het laatste uur, bij het onmiddellijk geofferde slachtoffer, terwijl jij, die sinds jaren op het altaar bent en die als eerste het door de Meester gegeven gebed hebt uitgesproken, nooit het offer ziet verteren.
Je bent mijn zuster, Maria. Ik ben de eerste leerling van Jezus geweest, ik ben degen geweest die meer dan allen aan Hem gelijk is geweest. Zijn woorden, Zijn affecties, Zijn verlangens heb ik tot de mijne gemaakt. Ik heb hetzelfde verlangen gehad als Hij, te sterven om te verlossen. En ik heb de anderen mij zien voorgaan naar God. Ook Paulus, de apostel van het reeds verlopen uur, is mij voorafgegaan. En Stefanus is als eerste gevallen, hij die na de Meester kwam. En ik ben gebleven.
Ik heb het lijden van de scheiding van de Meester gekend, de angst van de verachting, de vervolgingen, het martelaarschap, de verbanning. Maar niet de snelle vertering van het offer. Ik die naar mijn Jezus hunkerde, heb de jaren voorbij zien glijden tot op zeer hoge leeftijd alvorens Hem te kunnen bereiken.
En waarom? Zal mijn martelaarschap van liefde en van verlangen een minder martelaarschap zijn geweest dan dat van de anderen? En minder vruchtbaar? Nee, mijn kleine zuster. Er zijn er die onmiddellijk worden ontvangen en zij die 'moeten blijven zolang Hij wil dat ze blijven' (Joh. 21,23), omdat die de taak hebben Stem te zijn van God voor de broeders.
Geloof mij, zuster in de liefde van Christus, dat jouw wachten uitverkiezing van Jezus is. Hij laat je, omdat je Zijn kleine Johannes bent en moet prediken het woord dat de Meester je geeft, met liefde voor de broeders. Het is de zoetste zending.
De vrede zij altijd met je.”

Geen opmerkingen: