donderdag 19 oktober 2017

Het vagevuur

Uit: Maria Valtorta, de Geschriften 1943, blz. 381
Uitg. St. Maria Valtorta


De geschriften van Maria Valtorta zijn privé-openbaringen en zijn niet volledig door de Kerk erkend

Jezus zegt:

“Ik wil je uitleggen wat het Vagevuur is en wat het inhoudt. Ik zal het je verklaren op een manier die velen zal irriteren, die menen dat ze de bewaarders zijn van de kennis over het hiernamaals, en het niet zijn.

De in de vlammen ondergedompelde zielen lijden alleen door de liefde.



Niet omdat ze het bezit van het Licht niet verdienen, maar omdat ze niet waardig zijn onmiddellijk het Rijk van het Licht binnen te gaan. Zij worden, om zich aan God te presenteren, bekleed met het Licht. Het is een korte gelukzaligheid vooraf, die hen verzekert van hun redding en hen bekend maakt met wat hun eeuwigheid zal zijn, en bewust van wat ze hun ziel hebben misdaan door haar voor jaren te bestelen van de gelukzaligheid God te bezitten. Ondergedompeld dan in de plaats van de zuivering, worden zij ingesloten door de uitboetende vlammen.

Tot zover hebben degenen die over het Vagevuur spreken gelijk. Maar waar ze geen gelijk in hebben, is de wil verschillende namen te gebruiken voor die vlammen.

Ze zijn een liefdesgloed. Zij zuiveren, door de zielen in liefde te ontvlammen. Ze geven de Liefde, omdat ze, als de ziel daarbinnen de liefde heeft bereikt die ze op aarde niet bereikt heeft, bevrijd wordt van de vlammen en zich verenigt met de Liefde in de Hemel.

Dat lijkt je een andere leer dan de bekende, nietwaar? Maar denk na.

Wat wil de Ene en Drie-Ene God voor de zielen die Hij heeft geschapen? Het goede.

Welke gevoelens heeft Degene Die het goede voor een schepsel wil, voor dat schepsel? Gevoelens van liefde.

Wat is het eerste en tweede gebod, de twee belangrijkste geboden die Ik jullie heb gegeven en waarvan Ik heb gezegd dat ze de grootste zijn en dat daarin de sleutel ligt om het eeuwige Leven te bereiken? Het is het gebod van de liefde: 'Bemin God met al je krachten en bemin je naaste als jezelf.'
Wat heb ik jullie eindeloos vele malen gezegd door Mijn mond en de mond van de profeten en heiligen? Dat de Naastenliefde de hoogste vorm van absolutie is. De Naastenliefde delgt de schuld en de zwakheden van de mens, want wie bemint leeft in God, en wie in God leeft zondigt weinig, en als hij zondigt heeft hij onmiddellijk berouw, en wie berouw heeft, verkrijgt vergeving van de Allerhoogste.

Waarin zijn de zielen tekortgeschoten? In de Liefde. Als ze veel zouden hebben bemind, zouden ze weinig en lichte zonden hebben begaan, verbonden met jullie zwakheid en onvolmaaktheid. Maar ze zouden nooit de bewuste hardnekkigheid, ook in de vergeeflijke zonden, hebben bereikt. Ze zouden hebben geleerd hun Liefde niet te bedroeven, en de Liefde zou hen, bij het zien van hun goede wil, ook de vergeeflijke zonden hebben vergeven.

Hoe geeft men herstel voor een zonde, ook op aarde? Door haar uit te boeten en, zodra men kan door het middel waarmee men de zonde heeft begaan. Wie schade heeft berokkend, moet teruggeven wat hij met aanmatiging heeft genomen. Wie gelasterd heeft, moet die terugnemen, enz.

Nu, als de armzalige gerechtigheid dat wil, zal dan de heilige Gerechtigheid van God dat niet willen? En welk middel zal God gebruiken om herstel te verkrijgen? Zichzelf, dat wil zeggen de Liefde, en door liefde te verlangen.

Die God, Die jullie hebben beledigd en Die jullie vaderlijk bemint, Die Zich wil verenigen met Zijn schepselen, brengt jullie tot het verkrijgen van die vereniging door Zichzelf.

Alles draait om de Liefde, Maria, behalve voor de echte 'doden': de verdoemden. Voor die 'doden' is ook de Liefde dood. Maar voor de drie rijken – het zwaarste: de Aarde; vervolgens het rijk waarin het gewicht van de materie is afgeschaft, maar niet van de ziel, die belast is met de zonde: het Vagevuur; en tenslotte het Rijk waarvan de bewoners hun geestelijke natuur met de Vader gemeen hebben, die hen vrijmaakt van elke last – is de Liefde de motor. Het is door op aarde te beminnen dat jullie werken voor de Hemel. Het is door te beminnen in het Vagevuur dat jullie de Hemel veroveren, die jullie in het leven niet hebben weten te verdienen. Het is door het beminnen in het Paradijs dat jullie de Hemel genieten.

Als een ziel in het Vagevuur is, doet ze niets dan beminnen, nadenken, berouw hebben in het licht van de Liefde, die voor haar die vlammen heeft ontstoken, die al God zijn, maar die God voor haar verbergen tot haar bestraffing.

Dat is de kwelling. De ziel herinnert zich het visioen van God, dat ze had bij het persoonlijk oordeel. Ze draagt die herinnering met zich mee, en omdat het vluchtig zien van God al een vreugde is die al het geschapene overtreft, verlangt de ziel er vurig naar die vreugde opnieuw te genieten. Die herinnering aan God, en die straal van licht die haar heeft bekleed bij haar verschijnen voor God, maken dat de ziel de fouten, die ze heeft begaan tegen haar Weldoener, in hun ware aard 'ziet', en dat 'zien', samen met de gedachte dat het haar door die fouten verboden is de Hemel te bezitten en de vereniging met God voor jaren of eeuwen, vormt haar lijden in het Vagevuur.

De liefde en de zekerheid de Liefde te hebben gekwetst, is de kwelling van de zielen in het Vagevuur. Naarmate een ziel in het leven meer is tekortgeschoten, des te meer is het alsof ze verblind is door geestelijke staar, die het kennen en bereiken van het volmaakte, liefdevolle berouw moeilijker maakt, de eerste factor van haar reiniging en voor het binnengaan in het Rijk van God. De liefde is neergedrukt in haar leven en traag gemaakt, naarmate een ziel haar heeft onderdrukt door de zonde. Terwijl zij zich door de kracht van de liefde reinigt, wordt haar verrijzenis tot de Liefde versneld, met als gevolg haar verovering van de Liefde, die volkomen wordt op het moment waarin zij, na het beëindigen van de boetedoening, de volmaaktheid van de liefde heeft bereikt en wordt toegelaten in de stad van God.

Men moet veel bidden, opdat deze zielen, die lijden om de Vreugde te bereiken, snel zijn in het bereiken van de volmaakte liefde, die hen vrijspreekt en met Mij verenigt. Jullie gebeden, jullie voorspraak, zijn evenzovele vermeerderingen van liefdesvuur. Ze vermeerderen de gloed. Maar – oh! Zalige kwelling – ze vermeerderen ook het vermogen om te beminnen. Ze versnellen het proces van zuivering. Ze verheffen de in dat vuur ondergedompelde zielen tot een steeds hogere graad. Ze brengen hen op de drempel van het Licht. Ze openen de deuren van het Licht, en tenslotte introduceren ze de ziel in de Hemel.

Aan al deze werken, te danken aan jullie naastenliefde voor hen die jullie zijn voorgegaan naar het tweede leven, beantwoordt een sprong van naastenliefde voor jullie: de Naastenliefde van God, Die jullie bedankt voor de zorg van Zijn boetedoenende kinderen, naastenliefde van de boetenden, die jullie bedanken voor jullie moeite om hen in de vreugde van God te brengen.
Nooit beminnen jullie dierbaren jullie meer dan na de dood op aarde, want hun liefde is nu vervuld van het Licht van God, en door dat Licht begrijpen zij hoe jullie hen beminnen en hoe zij jullie hadden moeten beminnen.

Ze kunnen niet langer woorden tegen jullie zeggen, die om vergeving vragen en liefde schenken. Maar zij zeggen ze tegen Mij voor jullie, en Ik breng ze jullie, deze woorden van jullie overledenen, die jullie nu weten te zien en te beminnen zoals het moet. Ik breng ze bij jullie, samen met hun bede om liefde en hun zegen. Al geldig vanuit het Vagevuur, want ze is al doordrongen van de ontvlamde Naastenliefde, die hen brandt en zuivert. Volmaakt geldig, later, vanaf het moment waarin zij, bevrijd, jullie tegemoetkomen op de drempel van het Leven of zich met jullie herenigen in dat Leven, als jullie hen al zijn voorgegaan in het Rijk van Liefde.

Vertrouw op Mij, Maria. Ik werk voor jou en je dierbaren. Troost je geest. Ik kom om je de vreugde te geven. Vertrouw op Mij.”

Geen opmerkingen: