zondag 10 september 2017

De verrijzenis

Uit: de Geschriften 1944, Maria Valtorta, blz. 95. Uitg. St. Maria Valtorta
29 januari 1944
Wat ik vanavond zie:
Een onmetelijk uitgestrekt aardoppervlak. Een zee, zo grenzeloos. Ik zeg 'aardoppervlak', want er is aarde zoals in de velden en op de wegen. Maar er is geen boom, geen stengel, geen grassprietje. Stof, stof en stof.
Ik zie dit in het licht dat geen licht is. Een amper zichtbaar schijnsel, loodkleurig, van een violet-groene tint, zoals men dat waarneemt bij een zwaar onweer of bij een totale verduistering. Een licht van uitgedoofde sterren, dat beangstigt. Ziedaar. De hemel is van zijn sterren beroofd. Er zijn geen sterren, geen maan, geen zon. De hemel is leeg, evenals de aarde. De ene beroofd van zijn bloemen van licht, de ander van zijn plantaardig en dierlijk leven. Twee onmetelijkheden, beroofd van wat was.
Ik heb alle tijd om dit troosteloze visioen van de dood van het universum te zien, dat denk ik hetzelfde aanzien heeft van het eerste moment (Gen. 1:1-2), toen de hemel en de aarde al bestonden, maar de hemel zonder sterren en de aarde zonder leven, de aardbol al verhard maar nog onbewoond, vliegend in de ruimten in afwachting van de vinger van de Schepper, die planten en dieren zou geven.
Waarom begrijp ik dat dit het visioen is van de dood van het universum? Omdat een van die “tweede stemmen”, waarvan ik niet weet waar ze vandaan komen, in mij doet wat het koor doet in antieke tragedies: het aangeven van speciale aspecten, die de hoofdpersonen zelf niet toelichten. Het is juist dát wat ik wil zeggen en dat ik u wil zeggen, en dat ik u later zal vertellen.
Terwijl ik de blik laat gaan over deze troosteloze scène, waarvan ik de noodzaak niet begrijp, zie ik, van ik weet niet waar tevoorschijn gekomen, rechtop in het midden van die onbegrensde vlakte de Dood (1Kor. 15:26). Een skelet dat lacht met ontblote tanden en lege oogholten, koning van die dode wereld, gehuld in zijn zweetdoek als in een mantel. Het skelet heeft geen sikkel. Het heeft alles al weggemaaid. De Dood laat de lege blik gaan over zijn oogst en grijnst.
Hij heeft de armen over de borst gevouwen. Dan maakt hij ze los, die skeletachtige armen, en opent de handen die slechts naakte beenderen zijn, en daar hij een reusachtige gestalte is en alomtegenwoordig – of beter gezegd: alles nabij – raakt hij met een vinger, de wijsvinger van de rechterhand, mijn voorhoofd aan. Ik voel de ijzige koude van het puntige bot, dat mijn voorhoofd lijkt te doorboren en mijn hoofd binnen lijkt te dringen als een naald van ijs. Ik begrijp echter dat dit geen andere betekenis heeft dan mijn aandacht te willen vestigen op wat er staat te gebeuren.
Hij maak met zijn linkerarm in feite een gebaar en wijst mij op de troosteloze vlakte waarop wij ons bevinden, hij de koning en ik de enig levende. Op zijn zwijgend bevel, gegeven met de skeletachtige vinger van de linkerhand en met het ritmisch naar rechts en links wenden van het hoofd, splijt de aarde in duizenden en duizenden barsten, en in de diepte van die donkere scheuren glanzen verspreid liggende witte dingen, maar ik begrijp niet wat het zijn (Ez. 37: 1-14).
Terwijl ik mij inspan te ontdekken wat het zijn, gaat de Dood door met zijn blik en zijn bevel de aardschollen te ploegen als met een ploegschaar, en die openen zich steeds verder tot aan de horizon. En hij ploegt de golven van de zeeën zonder zeilen, en de wateren openen zich in vloeibare draaikolken.
En dan komen uit de aardkluiten en uit de plooien van de zeeën, die zich weer samenvoegen, de witte dingen die ik verspreid heb zien liggen. Het zijn miljoenen en miljoenen skeletten, die uit de oceanen aan de oppervlakte komen en die zich oprichten uit de grond. Skeletten van velerlei grootte. Die van zeer kleine kinderen, waarvan de handjes lijken op kleine stoffige spinnen, tot die van volwassen mensen, en ook reusachtige, waarvan de omvang doet denken aan wezens van voor de zondvloed. En zij staan daar verbaasd en als bevend, zoals mensen die plotseling zijn ontwaakt uit een diepe slaap en niet begrijpen waar ze zich bevinden.
Het zien van die skeletachtige lichamen, witglanzend in dat onwezenlijke licht van de Apokalyps, is vreselijk.
En dan verdicht zich rondom die skeletten langzaam een nevelachtigheid, lijkend op uit de aarde opkomende nevel, uit de open zeeën; het neemt vorm en ondoorzichtigheid aan en wordt vlees, een lichaam dat lijkt op dat van ons, levenden; de ogen, zelfs de oogholten vullen zich met irissen, de jukbeenderen worden bedekt met wangen, en op de kaken spreidt zich tandvlees uit en de lippen krijgen vorm, de haren komen terug op de schedels en de armen en vingers worden weer beweeglijk, heel het lichaam komt weer tot leven, net als het onze.
Eender, maar verschillend van uiterlijk. Er zijn zeer mooie lichamen bij, van een perfecte vorm en kleur, die hen doet lijken op meesterwerken van de kunst. Er zijn ook afgrijselijke bij, niet door een echte of eigenlijke verlamming of misvorming, maar door het algemene uiterlijk, dat meer weg heeft van een wild dier dan van een mens. Norse ogen, vertrokken gezichten, een dierlijk uiterlijk, en wat mij het meest treft, een duisternis die van hun lichamen uitgaat en die de loodkleur van de lucht die hen omring vermeerdert, terwijl de zeer mooie lichamen lachende ogen hebben en een heldere blik, een mild uiterlijk, en die een schittering uitstralen die een aureool om heel hun wezen van hoofd tot voeten vormt.
Als ze er allen zouden uitzien als de eersten, dan zou de duisternis zo totaal zijn dat alles verborgen was. Maar krachtens de tweede groep duurt de lichtsterkte niet alleen voort, maar vermeerdert zozeer dat ik alles goed kan waarnemen.
De lelijke lichamen, wier verdoemenis ik niet betwijfel omdat ze de verdoemenis als een teken op het voorhoofd dragen, zwijgen en werpen verschrikte en sombere blikken van onder naar boven en om zich heen, en groeperen zich een één kant op een innerlijk bevel, dat ik niet hoor maar dat door iemand moet zijn gegeven en is waargenomen door de herleefden. Ook de zeer mooie lichamen groeperen zich, elkaar toelachend en met gemengde gevoelens naar de verschrikking van de lelijken kijkend. En die zeer mooien zingen, zingen een langzame, lieflijke, zegenhymne voor God.
Verder zie ik niets. Maar ik begrijp de Eindverrijzenis te hebben gezien (1 Kor. 15; 35-38). ik vergat u te zeggen dat de lichamen allemaal naakt waren, maar dat ze geen zinnelijkheid veroorzaakten, alsof ook de kwaadwilligheid dood was: in hen en in mij. En dan, voor de lichamen van de verdoemden was hun duisternis als een afscherming, en voor de gelukzaligen was hun eigen licht een bekleding. Daarom verdween wat dierlijk in ons is onder de uitstroming van de innerlijke geest, de zeer blije of zeer wanhopige heer van het vlees.

Jezus zegt:
“Als het einde van de tijd gekomen is en het leven alleen nog Leven in de Hemelen zal moeten zijn, zal de universele wereld, zoals jij hebt gedacht, weer zo zijn als in het begin, alvorens volledig te worden vernietigd. Dat zal gebeuren als Ik zal hebben geoordeeld.
Velen denken dat de tijd tussen het moment van het einde tot aan het universele oordeel slechts een ogenblik zal zijn. Maar God zal tot het einde goed zijn, dochter. Goed en rechtvaardig.
Niet alle levenden van het laatste uur zullen heiligen zijn en niet allen verdoemden. Onder de eersten zullen er zijn die bestemd zijn voor de Hemel, maar nog iets moeten uitboeten. Het zou onrechtvaardig zijn als Ik voor hen die uitboeting zou tenietdoen, waarmee Ik ook al diegenen heb bedreigd die hen zijn voorgegaan en die zich in dezelfde conditie hebben bevonden bij hun dood.
Daarom, terwijl de gerechtigheid en het einde voor de andere planeten zullen komen, en de sterren aan de hemel als fakkels, die iemand uitblaast, één voor één uitdoven, en duisternis en koude  zullen gaan toenemen, gedurende Mijn uren die voor jullie eeuwen zijn – en het uur van de duisternis is al begonnen in de firmamenten en ook in de harten – zullen de levenden van het laatste uur, in het laatste uur gestorven, die de Hemel hebben verdiend maar nog gezuiverd moeten worden, naar het zuiverende vuur gaan. Ik zal de gloed van dat vuur vermeerderen, opdat de zuivering sneller verloopt en de zaligen niet te lang moeten wachten op de verheerlijking van hun heilig vlees en opdat ook dat lichaam zich kan verheugen in het zien van zijn God, zijn Jezus in Zijn volmaaktheid en in Zijn triomf.
Ziedaar waarom je de aarde hebt gezien, beroofd van gewassen en bomen, van dieren en mensen, van leven, en de oceanen zonder schepen, uitgestrekt, vast, met onbeweeglijke wateren, omdat het niet meer nodig zal zijn dat ze bewegen om leven te geven aan de vissen van de wateren, zoals de warmte niet meer nodig zal zijn voor de aarde om leven te geven aan de granen en de wezens. Ziedaar waarom je het firmament hebt gezien, ontdaan van zijn hemellichten, zonder vuren en zonder lichten. Licht en warmte zijn niet langer nodig voor de aarde, die voortaan een enorm kadaver is dat in zich de lijken draagt van allen die hebben geleefd, van Adam tot de laatste afstammeling van Adam.
De Dood, Mijn laatste dienstmaagd op Aarde, zal haar laatste opdracht vervullen en dan zal ook zij ophouden te bestaan. Er zal geen Dood meer zijn, maar alleen eeuwig Leven. In de gelukzaligheid of in de verschrikking. Leven in God of leven in Satan voor jullie ik, weer samengesteld uit ziel en lichaam.

Nu is het voldoende. Rust uit en denk aan Mij.”

Geen opmerkingen: